Maastrichtse Vincentiusvereniging bestaat 150 jaar; Koffie en spaarsoep voor de armen

De Vincentiusvereniging in Maastricht, een aspect van de stadsgeschiedenis vanaf 1848, redactie Hans Evers en Hub Schwanen, uitgegeven door de Vincentiusvereniging, ISBN 90-9006522-9, 159 pag. ƒ 29,50.

In de jaren zestig was ik in Maastricht lid van de Sint Vincentiusvereniging, meer in het bijzonder van de Jongerenconferentie van deze vereniging die zich bezighield met op het individu gerichte liefdadigheid. Dat zijn zaken die je lange tijd liever voor je houdt, want het werk werd op één lijn gesteld met bedéling die geen ander doel had dan de armen te winnen voor de rooms-katholieke kerk, waarvan ik toen nog min of meer een enthousiast lidmaat was.

Ik woonde in een deel van het Maastrichtse stadsdeel Wijck dat grensde aan wat men tegenwoordig achterstandsbuurten zou noemen maar wat men in die tijd gewoon aanduidde met achterbuurten. Daarin leefden mensen die voornamelijk door de keramische industrie voor een habbekrats waren uitgebuit totdat de dood tengevolge van stoflongen erop volgde. Die hadden geen cent om aan hun gat te krabben. Ze woonden in onderkomen huurkazernes.

Als lid van de Jongerenconferentie was een aantal van die gezinnen aan mijn zorg toevertrouwd. In de weekeinden ging ik er schilderen en behangen, onder meer bij het echtpaar N., dat in een huurkazerne woonde waar nu het prestigieuze Hotel Maastricht is gevestigd. Als ik, gewapend met lijm, behangrollen en verf, het donkere naar bederf ruikende trapgat inging, werd ik door de oude heer N. met 'mijnheer' begroet, maar zodra ik me in mijn werkplunje had gehesen was het 'jong' voor en 'jong' na, want overalls vegen de standsverschillen uit.

Dat was in de jaren zestig. De aard van het werk was aan het veranderen. Met brood- of koffiebonnen durfde je je toen al lang niet meer te vertonen, laat staan dat je er de onheilsboodschap aan verbond dat de begiftigde de hel zou wachten mocht hij zich als tegenprestatie des zondags niet naar de h. mis begeven en zich ook verder niet gedragen conform de wetten van de heilige moederkerk; je zou onverwijld het donkere trapgat weer zijn aftrapt.

Tot mijn eer strekt het dat ik de Jongerenconferentie verliet op het moment dat andere leden, die toen al in beteren doen waren, van de maandelijkse vergaderingen bijeenkomsten maakten waarop eten en drank zo ruim werden geserveerd dat ik, die in die dagen van een hongerloon moest rondkomen, tegen zoveel weelde niet kon opboksen wilde ik vrouw en kinderen niet tekort doen. Later heb ik mijn verenigingsleden overigens weer teruggezien: toen in een vriendenclub.

De herinneringen aan het echtpaar N. en aan de Maastrichtse achterbuurt werden weer levendig bij het lezen van De Vincentiusvereniging in Maastricht, een aspect van de stadsgeschiedenis vanaf 1848. Het boekje schetst de ontwikkeling van de vereniging in bijna anderhalve eeuw. Het is een leerzaam, stichtend en somwijlen ook vermakelijk werkje van enkele historici dat uiteindelijk uitmondt in een hart onder de riem: “Beste Vincentianen (de vereniging bestaat nog - m.p.), draag met rust de smet op jullie naam die door daden in het verleden werd veroorzaakt. Daden in het heden zullen op dezelfde manier de naam zuiveren. Draag met trots de smet die jullie welvarende, maar voor armoede blinde tijdgenoten op jullie naam wensen te zien. Jullie daden zullen hun beschuldigingen ontmaskeren”.

Het ontstaan van de bijna anderhalve eeuw oude Maastrichtse Vincentiusvereniging moet worden gezien tegen de achtergrond van de erbarmelijke omstandigheden waarin in die dagen 30 tot 40 procent van de bevolking leefde. In het buitenland waren dezelfde omstandigheden aanleiding geweest tot sociale onrust. “Het lijkt niet overdreven ook de oprichting van de eerste Maastrichtse Vincentiusvereniging (men had er meer, die per parochie waren ingedeeld - m.p) in maart 1848 tegen de achtergrond van deze angst te plaatsen”, aldus een van de schrijvers. Er waren in die dagen weliswaar al groeperingen van gegoede burgers die zich het lot van de armen aantrokken, maar een vereniging die zich structureel op de liefdadigheid toelegde was er niet.

Een van de activiteiten werd de spijskokerij. Daar werd soep gemaakt, gebaseerd op het recept van graaf Benjamin Rumford, die tot de conclusie was gekomen dat “het minstkostende, aangenaamste en krachtigste voedzel, hetwelk men de armen verschaffen kan, een soepe is, zamengesteld uit gepelde gerst, erwten, aardappelen, kleine sneden brood, azijn, zout en water in zekere evenredigheid”. Van deze spaarsoep, ook wel genoemd oeconomische soep, waar men in het culinair begaafde Maastricht toen al wat meer van maakte (vlees- dan wel bonen- en erwtensoep) werden in de loop der jaren vele duizenden porties uitgedeeld. Hoewel daarover niets met zekerheid is te zeggen, wordt aangenomen dat de spijskokerij van de Vincentiusvereniging werd opgericht als wapen tegen de toen al bestaande soepkokerij van de als liberaal bekendstaande sociëteit Momus. Dat moet de toenmalige bisschop van Roermond, Paredis, een doorn in het oog zijn geweest, daar hij waarschijnlijk van de veronderstelling uitging dat de consumenten van de Momus-soep tegelijkertijd liberale ideeën zouden binnenkrijgen. Een felle tegenstander van deze vorm van bedeling waren de socialisten, die er een van de middelen in zagen om de mensen naar de kerk te krijgen. Zij hadden er (in het Maastrichts) een spotlied op gemaakt met als refrein: “En hoe ouder dat ze worden en hoe stommer dat ze zijn/ voor een soepkaart zouden ze van de blauwe willen zijn”. Met 'blauwe' werd in die tijd de katholieke arbeidersbeweging aangeduid.

Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde de Vincentiusvereniging zich meer en meer tot een groepering die zich vooral bezighield met leniging van de geestelijke nood, onder meer door het instellen van een telefonische hulpdienst en het neerzetten van een aantal caravans om “mindervermogenden een fatsoenlijke vakantie te laten vieren”.

Tegenwoordig zouden de Vincentianen zeer terughoudend zijn met het verlenen van materiële en geestelijke bijstand. Daarbij zou men met name in Maastricht moeten opboksen tegen heel wat vooroordelen. “Afgezien dat sociaal bewustzijn een schaars artikel is geworden en de Maastrichtenaar vanuit zijn unieke beheersing van de Bourgondische levenskunst en zijn spreekwoordelijke hang naar glamour geneigd is om armoede en grauwheid te mijden, ontbreekt bij welgestelden steeds sterker het zicht op armoede; de bereidheid van de Maastrichtse bevolking om bij te dragen aan de projecten is minimaal”, aldus een in het boekje opgevoerde Vincentiaan.