Indonesië bestrijdt armoede op onorthodoxe wijze

JAKARTA, 3 DEC. “Hier heb ik bijna dertig jaar van gedroomd.” Professor Mubyarto werpt een tedere blik op de gele brochure die voor hem ligt: 'Handleiding bij het presidentiele programma voor achtergebleven desa's (IDT)' staat er op het kaft. De hoogleraar, sinds mei ambtelijk adviseur van de Indonesische minister van planning, is de geestelijke vader van het IDT-plan, dat beoogt korte metten te maken met de armoede in de archipel. President, parlement en strijdkrachten hebben het al omhelsd, de grote donoren zijn enthousiast, dus niets lijkt nog te kunnen verhinderen dat het volgend jaar van start gaat.

Begin november vertelde minister Ginandjar Kartasasmita, tevens voorzitter van het Nationale planbureau van Indonesië, tijdens een hoorzitting van het parlement dat de regering met ingang van 1994-1995 gedurende drie achtereenvolgende begrotingsjaren tenminste 20 miljoen rupiah (18.000 gulden) zal uittrekken voor elk 'arm dorp' van de archipel. Hij onthulde daarbij dat op basis van recent onderzoek door het Centraal bureau voor de statistiek 20.633 Indonesische desa's als arm zijn aangemerkt. Het bedrag per dorp betreft geschonken werkkapitaal, geen lening, aldus de bewindsman.

In de internationale gemeenschap van donorlanden en multilaterale hulporganisaties gaat het ontwikkelingsland Indonesië door voor zeer succesvol bij de armoedebestrijding. Een en ander verliep sinds 1970 vooral via stabilisering van de rijstprijs en investeringen in de infrastructuur op het platteland. Volgens het in 1990 verschenen Wereldbankrapport 'Indonesia: Poverty Assessment and Strategy' is het aantal Indonesiërs dat onder de armoedegrens leeft in tien jaar tijd verminderd van 52 tot 30 miljoen mensen. En volgens de jongste cijfers telt het land nu nog 'slechts' 27 miljoen armen, dat is 15 procent van de bevolking. Dezelfde Wereldbank meldt dat in een ontwikkeld land als de Verenigde Staten 13 procent van de burgers onder de armoedegrens leeft. Zo bezien doet Indonesië het goed.

Professor Mubyarto, een agrarisch econoom die zijn hele werkzame leven strategieën heeft ontwikkeld voor de bestrijding van armoede op het platteland, vindt die internationale vergelijking maar onzin. “De definities van de armoedegrens zijn heel verschillend. Die wordt in Indonesië omschreven als inkomen dat nodig is om basisvoedsel te kopen van 2.100 calorieën per dag plus tien procent additionele consumptie, maar geen rupiah besparingen, laat staan investeringen. Er is rekening gehouden met onderwijs, gezondheidszorg en een beetje ontspanning, maar dat alles in zeer geringe mate.”

Mubyarto vertelt dat deze norm voor 'een gezond leven' is ontwikkeld tijdens een seminar van het Indonesische Instituut van Wetenschappen in 1968. Sindsdien heeft de Indonesische economie een enorme groei doorgemaakt, zowel qua bruto nationaal produkt als hoofdelijk inkomen. Is de armoededefinitie na 1968 niet aangepast? Mubyarto: “Voor een goed begrip: we spreken pas sinds 1976 van een officiële armoedegrens. Daarvoor lag het hele onderwerp te gevoelig. Het werd geassocieerd met de communistische PKI, die aanhang won door schande te spreken van het feit dat er twintig jaar na de onafhankelijkheid nog zoveel mensen in armoe leefden. Na 1976 is die definitie niet meer aangepast”.

Hoewel Indonesische politici tegenwoordig betrekkelijk ontspannen debatteren over het armoedeprobleem, ligt het onderwerp bij plaatselijke bestuurders nog steeds gevoelig. Toen het ministerie van binnenlandse zaken begin dit jaar een kaart publiceerde, waarop als arm aangemerkte districten stonden aangegeven, brak een kleine politieke storm los. De gouverneurs van West- en Oost-Java en Zuid-Sumatra, provincies die voor ontwikkeld doorgaan, protesteerden heftig tegen de kaart, want er bleken nogal wat arme districten in hun ambtsgebied te liggen. Het Centraal bureau voor de statistiek (BPS) zette ook vraagtekens bij de 'armoedekaart' en kreeg van president Soeharto opdracht aan alle geredekavel een einde te maken en in kaart te brengen waar die 27 miljoen arme Indonesiërs nu precies wonen. Deze keer niet per district, maar per dorp en stadskampong.

Criteria bij dit jongste BPS-onderzoek waren allereerst het 'fysieke potentieel' van desa of kampong (toestand van de wegen, beschikbaarheid van telefoon, radio's en een marktplaats). Daarnaast werd de leefomgeving (electriciteit, water, huisvesting, brandhout, de mogelijkheid om zich van afval te ontdoen) bekeken. En tenslotte speelde de conditie van de bewoners zelf (kindersterfte, gezondheid) een rol. Elk dorp kreeg een cijfer; scoorde het onder het gemiddelde, dan werd het aangemerkt als arm.

De uitkomst bevestigde bestaande vermoedens: Oost-Timor is de streek met het hoogste percentage armen, dan volgen Irian Jaya, de Molukken en de Kleine Sunda-eilanden. Van Kalimantan is alleen het oostelijke deel niet langer arm. Sulawesi is niet arm, maar scoort als geheel onder het gemiddelde. Java, Sumatra en Bali zijn relatief rijk, maar op het dichtbevolkte Java en Bali wonen niettemin liefst 18 miljoen mensen in arme dorpen.

De resultaten van dit onderzoek zijn door niemand aangevochten. Toch vertoont ook deze fijnere kam gaten. Verrassing: tel je alle inwoners van die 20.633 arme dorpen op dan kom je op een totaal van 33 miljoen mensen. Mubyarto: “Niet alle bewoners van die 20.633 dorpen zijn arm en niet alle 27 miljoen armen wonen daar, maar voorlopig kunnen we hiermee uit de voeten. We pakken eerst deze dorpen aan en daarna richten we ons op de armen buiten dit doelgebied”.

De aanpak van het IDT-programma is voor Indonesische begrippen nogal onorthodox. De uitvoerende instantie op plaatselijk niveau is niet het dorpshoofd, maar het collectief van arme bewoners zelf. Het dorpshoofd moet een lijst opstellen van armen, op basis van inkomen en huisvesting. Die organiseren zich in een groep en benoemen een full-time begeleider.

Heeft het onderzoek nieuwe inzichten opgeleverd in de oorzaken van de armoede? Mubyarto: “Ik wens niet mee te zingen in het koor van mensen die zeggen dat alles draait om de infrastructuur. Die kan heel belangrijk zijn, maar niet elk dorp dat is afgesloten van de buitenwereld is arm. Dat zie je bijvoorbeeld op de Molukken. Eilanden zonder bootverbindingen doen weinig met geld, maar beschikken vaak over rijke natuurlijke hulpbronnen, zoals vis, verse vruchten en sago. Het is niet zelden de openlegging die de armoede brengt. Een triest voorbeeld zijn de Dayak-gemeenschappen op Kalimantan, die als gevolg van de grootschalige boskap, in Jakarta wordt beschouwd als economische ontwikkeling, hun middelen van bestaan kwijtraken. Tot dusverre is de economische ontwikkeling van Indonesië gedragen door twee superinstanties: de staat en het grote bedrijfsleven. Zij hebben hun kans gehad en flinke steken laten vallen. Dit IDT-programma is weliswaar een initiatief van de overheid, maar het legt de uitvoering in handen van nieuwe acteurs: dorpsgemeenschappen, kleine onderneminkjes en NGO's”.

In Indonesië, met name bij het leger, bestaat vanouds nogal wat wantrouwen jegens NGO's. Is dat over? Mubyarto is optimistisch: “Ook de strijdkrachten zijn veranderd. Dit wordt een nationale beweging ter leniging van een nationale nood: armoede”.