In hybride voorstelling van Stichting KunstWerk wordt drama tot een show; Kees de Jongen als doos van Pandora

Voorstelling: Kees de Jongen, muziektheaterproduktie gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Gerben Hellinga naar de roman van Theo Thijssen. Produktie: Stichting KunstWerk; regie en bewerking: Margrith Vrenegoor; muziek: Willem Breuker; spelers: Joep de Bont, Wim Bouwens, Margot van Doorn e.a. Gezien 2/12 Schouwburg, Leiden. Tournee t/m 28/2.

Het 'Kees de jongen-virus' moet onuitroeibaar zijn; wie er als jongen in zijn jeugd mee in aanraking kwam is er voorgoed mee besmet. Bovendien weet hij een naam te geven aan al die tegenstrijdige verlangens die in de ziel van toentertijd leefden, en misschien is dat wel het mooiste van dit boek van Theo Thijssen en de toneelbewerking ervan door Gerben Hellinga. Mocht je verliefd zijn op een meisje als Rosa Overbeek en tegelijk beseffen dat je haar nooit zult krijgen, dan zeg je: “Dat is de Kees de jongen in mij”. Wil je beroemd worden en ben je tevens ervoor beducht dat roem niet voor jou is weggelegd, dan heet dat het 'Kees de jongen-syndroom'.

Theo Thijssen schreef met het boek meer dan een portret van de hoofdpersoon; het is een sociaal drama waarin dood, armoede, Amsterdamse benauwdheid en die hopeloze Hollandse twijfel over 'wat de buren ervan zullen zeggen' voorkomen.

De eerste uitvoering van de toneelbewerking door Gerben Hellinga in 1971 ging gekleed in sober bruin en grijs; de nadruk lag op de tekst. Nu, meer dan twintig jaar later, is het eerste dat opvalt de witte kostumering, althans in het eerste deel. Het is dan ook geen toneelstuk meer, deze bewerking van Kees de jongen, maar een muziektheaterproduktie. Onder dat te ruim gedefinieerde genre kan zo'n beetje alles vallen dat het midden houdt tussen revue, musical en teksttoneel. Handeling en muziek, beweging en dialoog wisselen elkaar onophoudelijk af. Soms heeft de muziek van Willem Breuker een ondersteunende functie, waardoor de sentimenten worden vergroot die in de tekst leven. Breukers muziek zweeft tussen de melodische soepelheid van filmmuziek en het bolsterachtige van de jazz. De keuze voor twee melancholieke instrumenten als de fagot en basklarinet juichte ik van harte toe. Ze geven aan de voorstelling een droeve sfeer.

Wat me teleurstelde is de opoffering van de tekst aan het 'muziektheater'. Er is geschrapt, bewerkt, toegevoegd. Ik ken regisseur Margrith Vrenegoor van enkele uiterst sobere, kleine produkties. Nu heeft ze iets groots willen ondernemen, iets met gelijktijdigheid van verschillende acties, de gelijktijdigheid van droom en werkelijkheid, van heroïek en desillusie. Als toneelvoorstelling die emoties op moet roepen is ze daarin geslaagd: wie zichzelf prijsgeeft gaat mee in de dood van Kees' vader of in het requiem voor Kees' dromenmeisje Rosa Overbeek. Wees bereid je gevoelige snaar te laten beroeren, en de avond zal schitterend zijn.

De feeërieke enscenering is erop gericht Kees als dromer te accentueren. Waar bijvoorbeeld in de tekst een mantel wordt beschreven waaruit Kees' nieuwe pak wordt gesneden, zien we hier een abstract vierkant doek. Natuurlijk ben je altijd benieuwd naar het slot: wat gebeurt er? Breken de twee uiteen, of gaan ze samen de donkerte van de laatste seconden tegemoet? Een voice over geeft de laatste, meer dan prachtige tekst weer over Kees als een gewone jongen, 'een jongen die daar zo-maar liep'. In de voorstelling staan de beide hoofdpersonages tegenover elkaar; de realist schreeuwt zichzelf al rennend de voorstelling uit, de ander gaat op de grond zitten, armen om de knieën geslagen. Nee, dat is niet het juiste gebaar. De tragiek van Kees de jongen bestaat eruit, dat elke keuze onmogelijk is.

De produktie is tot stand gekomen door Stichting KunstWerk. Die stelt zich tot doel getalenteerde kunstenaars in de muziek en het theater een kans te geven zich professioneel te bekwamen. Met deze voorstelling moet dat doel uitstekend bereikt zijn. Mij rest de vraag of de veelheid aan discplines die als uit de doos van Pandora te voorschijn vliegen, niet te overdadig is.

Zo blijf ik achter met een hybridische voorstelling: de kwaliteit van de acteurs is zeker op het eerste plan zeer goed te noemen. De enkele typetjes waren, juist door hun beperkte rolinvulling, treffend. Vraag blijft in hoeverre muziek en taal tot een eenheid werden gesmeed. Dat was niet zo. Tegen het slot verbrokkelde de voorstelling, enkele spanningslijnen ontbraken. De befaamde zwembadpas werd nèt iets te vaak herhaald, exact op de momenten van terugval. Het werd een show, met dans, groepsscènes en akrobatiek. Ik viel niet echt voor de voorstelling, ze trok uitbundig wervelend voorbij.