In het belastingsysteem is van systeem al lang geen sprake meer

Te vaak zien bewindslieden belastingheffing als een instrument om de samenleving eenvoudig naar hun hand te zetten. Volgens de hoogleraar en fiscalist Grapperhaus is deze denkwijze desastreus voor de consistentie van ons belastingstelsel.

Politiek - in de zin van doelgericht sturen van maatschappelijke ontwikkelingen - bestaat maar al te vaak in het afwezig zijn van politiek. Als dat ergens opgaat dan is dat voor de Nederlandse belastingpolitiek onder het kabinet Lubbers/Kok.

Belastingpolitiek is het streven om, uit een gegeven hoeveelheid door de overheid benodigde geldmiddelen, bij de belastingwetgeving rechtvaardigheid en doelmatigheid met elkaar in een aanvaardbaar evenwicht te brengen. Het klinkt misschien vreemd, maar het is niet eens zo belangrijk waar dat evenwicht precies ligt. Dat kan per tijd en plaats verschillend zijn. Dat in Nederland andere opvattingen terzake gelden dan in India, ja zelfs dan bij onze buurman België zal iedereen begrijpen. Trouwens ook op dezelfde tijd en plaats kunnen de opvattingen al heel verschillend zijn. In al die gevallen kan er sprake zijn van een goed belastingsysteem dat een reflectie vormt van de noden in een samenleving op een bepaald moment, en/of van bepaalde maatschappijopvattingen. Als het tenminste maar een systeem is. En daarmee bedoel ik dat er een consistentie moet bestaan in de grote lijnen en in de nadere uitwerking daarvan. Daartoe zijn we niet in staat, al was het maar doordat het (fiscale) recht het hoge tempo van de maatschappelijke ontwikkelingen, waaraan het vorm moet geven, niet kan bijhouden.

Er is nóg een reden waarom het in een democratische samenleving moeilijk is innerlijke samenhang bij de belastingwetgeving te bereiken en dat is de aard van het besluitvormingsproces waarbij alle partijen moeten geven en nemen, als gevolg waarvan wel eens wat rechtvaardigheid en/of doelmatigheid weglekken. Ik wil daar niet dramatisch over doen en de belastingwetgever een zekere manoeuvreerruimte gunnen. Maar in het fiscale Nederland 1993 kan ik geen oprecht verlangen meer bespeuren naar een consistent belastingsysteem.

De schuldigen zijn in de eerste plaats de vakministers, die ofschoon ze beter zouden moeten weten, de belastingheffing als hun eigen tuintje beschouwen, waar ze met hun modderlaarzen doorheen mogen klossen. Waarom moet het arbeidskostenforfait omhoog? Juist: omdat anders het inkomensplaatje niet klopt. Als met de tarieven van de inkomstenbelasting inkomenspolitiek zou worden bedreven zou ik daar binnen zekere grenzen nog mee kunnen leven. Maar door het klakkeloos wijzigen van het arbeidskostenforfait wordt een brede scheur getrokken door een zorgvuldig samengesteld fiscaal weefsel.

Een ander voorbeeld is de per 1 januari 1993 ingevoerde vrijstelling van en tot 5000 gulden voor kamerverhuur teneinde meer hospita's te bewegen meer kamers aan studenten en andere jongeren te verhuren. Die doelstelling op zich vind ik prijzenswaardig, maar laten we eens nagaan of die door de staatssecretaris voor volkshuisvesting geëntameerde fiscale vrijstelling een zinvol instrument is om die doelstelling te bereiken. Laten we de mogelijke kamerverhuurders daartoe in drie groepen verdelen.

De eerste groep wordt gevormd door hen die vóór de invoering van de wet al kamers verhuurden en die dat ook aangaven bij de fiscus. Die zijn dus dubbel-blank en krijgen nu van de fiscus een cadeautje in de vorm van een fikse vrijstelling. De volgende groep - volgens schatting van Kamerleden in aantal het dubbele van de eerste groep - bestaat uit hen die wel al kamerverhuurders waren maar dat niet voor de belasting opgaven. Hun zwarte gedoe wordt door de fiscus nu witgewassen en zij gaan weer een goede nachtrust tegemoet. Tot nog toe is er in mijn verhaal nog geen kamer bijgekomen, maar het fiscale schip heeft wel al inmiddels flinke averij opgelopen. Want waarom die deuk in het systeem van het inkomensbegrip door vrijstelling van een bepaalde vorm van inkomen? Hoe is dat te motiveren tegenover de particulieren die hun gehele huis verhuren? Of tegenover iemand die door hard werken 5000 gulden verdient? Maar wellicht gloort er toch nog licht bij groep drie. Deze bestaat uit degenen die niet verhuurden vanwege de belastingheffing, hetzij omdat ze het nettoinkomen niet hoog genoeg vonden voor de rompslomp van de huur, hetzij omdat ze niet zwart wilden verhuren. Bij deze groep ontstaat weliswaar kamerwinst, maar er is daarvan geen enkele betrouwbare schatting te maken. Het zou mij verwonderen als de derde groep meer dan een fractie uitmaakt van de groepen een en twee samen.

In grote lijnen is vorenstaande kritiek ook toe te passen op andere fiscale vrijstellingen waarbij de belastingbetalers in de een of andere richting geduwd moeten worden. Neem bijvoorbeeld het recente voorstel een deel van de loonkosten voor research and development fiscaal te begunstigen. Ook daar geldt dat, als dat zo nodig zou moeten, alleen de méérkosten voor R & D aan die fiscaal gunstige behandeling deelachtig zouden moeten zijn. Pas dan wordt het doel, te weten versterking van de economische infrastructuur, bereikt. Maar zeggen de vakministers - in dit geval de minister van economische zaken - verongelijkt: de fiscale heren zeggen dat zoiets onmogelijk uitvoerbaar is. Dat is juist. Natuurlijk moet de belastingdienst dwarsliggen als ze een niet of nauwelijks uitvoerbare opdracht krijgt opgedrongen.

De lucht-ballonnetjes van fiscale snit, die de minister van verkeer en waterstaat sinds haar optreden heeft opgelaten behoeven minder aandacht omdat die inmiddels bij haar mooie dromen zijn bijgezet. En als dan, zoals onlangs gebeurde, de Algemene Rekenkamer de vinger op de wonde plek legt, en naar de doelmatigheid van een dergelijk oneigenlijk gebruik van de fiscale wetgeving vraagt - in dit geval de fiscale faciliëring van milieu-investeringen - dan reageert de Tweede Kamer als door een horzel gestoken.

Het zou overigens niet juist zijn alleen de blaam bij de vakministers te leggen. En ik denk dat in deze kabinetsperiode de beide bewindslieden van financiën aanzienlijk meer tegenspel hadden moeten bieden. Nu vermoed ik wel, dat er een hoop fiscaal gerommel van hun collega's door hen binnenskamers zal zijn gepareerd, maar wat naar buiten is gekomen als wet, wetsontwerp, voorontwerp enzovoorts, is al erg genoeg.

Er is nog een tegenspel van geheel andere aard dat de bewindslieden van financiën hebben te bieden, dat is namelijk aan het parlement. Dat laatste is natuurlijk evenzeer verantwoordelijk voor een goede fiscale wetgeving of, zoals thans het geval is, voor het ontbreken daarvan. Ik heb geen goed woord over voor parlementariërs die met een wetsontwerp komen, bijvoorbeeld over de belastingheffing van rentegroeifondsen, en het dan kort daarna maar weer vrolijk intrekken. Ook het hardop suggereren dat de aftrek van onderhoudskosten weer zal worden ingevoerd - wat op korte termijn desastreus voor de bouwmarkt uitpakte - en dat later weer doodleuk intrekken is ook geen manier van doen. Het is natuurlijk fijn om als kamerlid allerlei aftrekposten en niet-belaste spaar- en winstdelingsregelingen te bedenken, en daarmee de boer op te gaan maar het betekent opnieuw een aanslag op een zuiver inkomensbegrip.

Ik zou zo nog een tijd door kunnen gaan om mijn bezwaar toe te lichten dat de belastingpolitiek, in de zin zoals ik die hiervoor heb beschreven, onder het kabinet Lubbers-Kok achter de horizon is verdwenen. Het is spijtig omdat policy-makers van diverse pluimage en positie kennelijk niet willen inzien dat een evenwichtig, consistent en niet door nevendoeleinden vervuild belastingsysteem, hoe dat er verder ook uit mag zien, de beste waarborg biedt dat de belastingbetalers hun burgerplicht vervullen. Misschien met een bedroefd hart, maar toch zonder ergernis over klaarblijkelijke onrechtvaardigheden en onnodige ingewikkeldheden.