Homero Aridjis

Homero Aridjis: De fabel van de zonnen. Vert. Marjolein Sabarte Belacortu. Uitg. Meulenhoff, 211 blz. Prijs ƒ 34,50.

Minder pretentieloos dan Pérez-Reverte is de Mexicaan Homero Aridjis. Milieuvervuiling, politieke corruptie en maatschappelijke ontwrichting vormen het brandpunt van zijn roman De fabel van de zonnen. Aridjis leunt zwaar op de precolumbiaanse Mexicaanse mythologie: gedegenereerde machthebbers dragen de namen van schrikwekkende Azteekse goden, en de 'fabel van de zonnen' over de periodieke wedergeboorte van de wereld zou door Bernardino de Sahagún in de zestiende eeuw uit Mexicaanse bronnen zijn opgetekend. Aridjis maakte al eerder van dit procédé gebruik. Zijn romans 1492 en Juan Cabezón in de Nieuwe Wereld putten rijkelijk uit documenten en kronieken uit de tijd van de verovering van de Westindische landen.

Aridjis situeert De fabel van de zonnen in de nabije toekomst, al sinds eeuwen een doorzichtig masker voor kritiek op de eigen tijd, die in de toekomst haar eigen karikatuur herkent. Aridjis ontbreekt het echter aan de maat en de humor die een dergelijke satire haar werkzaamheid geeft. Alles is bij hem doorgetrokken tot in het groteske, zo zwaar op de hand gepresenteerd dat elke charme ontbreekt. Daaraan kan zelfs het optimistisch einde van het boek - na de dood van de zon wordt een nieuwe geboren - niets veranderen.