Haitink schept plezier in helder, ontspannen en intens musiceren

Concert: Kon. Concertgebouworkest o.l.v. Bernard Haitink. Programma: muziek van Debussy/Escher, Bartók en Sjostakowitsj. Gehoord: 2/12 Concertgebouw Amsterdam. Herhaling: 3/12. Radio-uitz.: 8/12 Avro radio 4 (opn. 3/12)

Een optreden van Bernard Haitink in de C-serie van het Concertgebouworkest roept herinneringen op aan vervlogen tijden. Toen Haitink nog chef-dirigent van het Concertgebouworkest was, hadden de concerten in deze 'moderne' serie een veelal eigentijds karakter. In de zaal zat nauwelijks publiek, wat bewees dat het orkest avantgardistisch èn nogal nutteloos bezig was. Haitink zelf had er ook maar zelden een aandeel in.

Riccardo Chailly - die zijn Amsterdamse debuut maakte tijdens zo'n concert voor veel lege stoelen - begon het grote twintigste eeuwse repertoire als Le Sacre du Printemps in de C-serie te integreren en toen zat de zaal vol. Dit seizoen overheerst het gerespecteerde repertoire de C-serie geheel: slechts één van de veertien componisten die in zeven concerten worden gespeeld leeft nog.

Gisteren dirigeerde Haitink Debussy, Bartók en Sjostakowitsj. De sport was het vinden van een betere ratio achter dit programma dan het feit dat in het eerste stuk een celesta klonk, in het tweede een celesta èn een piano en in het derde een piano. Pas na de pauze, tijdens de Eerste symfonie van Sjostakowitsj, kreeg ik een beter idee: de stukken hebben een gemeenschappelijk kenmerk dat in deze volgorde telkens werd uitvergroot.

De Six épigraphes antiques van Debussy, sfeervolle entr'acte-stukjes bij een literair-muzikale performance uit 1914, en door Rudolf Escher in 1977 prachtig gereconstrueerd en geïnstrumenteerd, kennen bijna onmerkbaar subtiele overgangen van exquise zwoele exotiek naar een deftige, ingehouden emotionaliteit. Bij Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta (1936) vindt die ontwikkeling veel duidelijker plaats in langdurige crescendi. En in Sjostakowitsj' Eerste symfonie (voltooid in 1926, toen de componist twintig was) worden de vluchtige evocatieve delen vrijwel recht tegenover de onbekommerde en zeer luidruchtige orkest-uitbarstingen geplaatst.

Belangrijker dan dit mogelijke programma-idee waren de superieure uitvoeringen onder leiding van een gemotiveerde Haitink die er duidelijk plezier in schiep helder en exact, ontspannen en intens gedreven te musiceren. Debussy was een zeldzaam chique belevenis. Bartók blonk uit in gespannen energie. Prachtige soli klonken in Sjostakowitsj: concertmeester Viktor Liberman speelde kil schrijnend en later heel warmbloedig; de gestopte trompet van Peter Masseurs klonk onwaarschijnlijk 'ver'; Godfried Hoogeveen maakte van zijn solo zelfs een soort cello-concertje.