Gesprek met entertainer Leo Fuld; Zonder een lied kan de wereld nooit bestaan

“Men zei altijd dat ik een jiddische zanger was, maar ik ben een jood die zingt,” zegt Leo Fuld (81), die in zijn lange internationale carriere optrad met Frank Sinatra en andere sterren. Sinds zijn terugkeer naar Nederland in 1987 heeft hij nauwelijks meer gewerkt. Maar nu is er een film over hem gemaakt en in januari komt er een nieuwe cd uit.

The International Singing Star Leo Fuld is tijdens het Documentary Filmfestival in Amsterdam te zien op 9 dec. (21u) en 14 dec. (22.15u) in Alfa 1 en op 15 dec. (16 u.) in het Filmmuseum. De NOS zendt de film uit op 10 dec., Ned 3 (23.11u.)

Hij begint al door de telefoon. Of ik wel weet dat hij Charles Aznavour heeft ontdekt. En Anton Kersjes. En Rita Reys. En niet te vergeten Tommy Cooper. Dat hij als 'co-vedette' met Edith Piaf veertien weken in het ABC-theater in Parijs heeft gestaan. Dat er zeker vijfhonderd platen in acht talen van hem zijn verschenen waarvan hij 85 procent zelf heeft gecomponeerd en geschreven en dat er binnenkort een nieuwe cd van hem uitkomt. Maar dat ik vooral niet moet denken dat alleen muziek hem interesseert, want een groot deel van de wereldliteratuur heeft hij gelezen en Camus kent hij als zijn broekzak.

Leo Fuld praat graag over Leo Fuld. Wie ernaar vraagt krijgt zijn levensverhaal als een kant-en-klaar-menu opgediend. Het voorstel om het gesprek niet via de telefoon maar op ander tijdstip bij hem thuis voort te zetten, accepteert hij dan ook met nauw verholen tegenzin.

Een week later ontvangt hij het bezoek in zijn Amsterdamse benedenwoning met een blijde glimlach. Een kleine breekbare gestalte in een geruit jasje en met een buitenmodel stropdas. Ondanks zijn 81 jaar heeft zijn achterovergekamde haar een nog jeugdige zacht oranje kleur.

Met ietwat onzekere passen gaat Fuld voor naar zijn kamer die gedomineerd wordt door een groot bed. Aan de ene kant hangt een foto van zijn moeder. Het tafeltje aan de andere kant is bedolven onder brieven, mappen en drukwerk. Tussen de stapel papier is een boek zichtbaar: Hollywood vermeldt de rug. Naast het stoffige orgel in de hoek waarop een televisie is geplant die constant RTL5-programma's uitzendt, staat een vitrine met een zorgvuldig uitgestalde verzameling lp's en platenhoezen. Titels als Where can I go and other Yiddish favorites... en My Yiddishe mama herinneren aan de successen die Leo Fuld in zijn lange carrière heeft geboekt als de internationaal gevierde vertolker van het jiddische levenslied.

Maar Fuld zelf ziet de dingen liever wat ruimer. Een entertainer vindt hij zichzelf in de eerste plaats. “Dertig liedjes uit je hoofd leren en die op een avond zingen is niet genoeg. Je moet de mensen kunnen entertainen. In mijn performances wisselde ik melancholieke liedjes altijd af met grappen. Ik kon ook mijn vrienden goed imiteren. Al Jolson kwam altijd kijken als ik hem imiteerde in the French Casino op Broadway en als ik naar Billie Holiday ging op 52nd Street gaf ze me een zoen en riep: 'Leo, do me, do me!' Frank Sinatra, ook een vriend van me, kwam vaak luisteren als ik optrad. Wilt u horen hoe hij mij eens heeft aangekondigd in zijn programma?”

Warme tenor

Zonder het antwoord af te wachten schuifelt hij naar zijn pick-up en zet een plaat op. “Ladies and gentlemen,” klinkt Sinatra's stem krassend en krakend uit de boxen, “enjoy with me if you will the voice of the international singing star Leo Fuld,” waarna de ster zelf hoorbaar is: een warme tenor die lange glijdende noten vanachter uit zijn keel laat komen. Met zijn karakteristieke slordige accent zingt hij Where can I go, het weemoedig-sentimentele nummer dat hij in tien minuten schreef op de dag dat de staat Israel werd uitgeroepen en dat al snel een enorme sensatie werd. Binnen drie maanden schoot zijn salaris omhoog van honderd naar duizend pond per week. Fuld memoreert het feit met zichtbaar genoegen.

Ook in de 65 minuten durende documentaire The International Singing Star Leo Fuld, die Netty van Hoorn onlangs voor de NOS heeft gemaakt en die te zien is tijdens het International Documentary Filmfestival in Amsterdam, haalt hij de herinnering op aan de hit die hem wereldroem bezorgde. Aan de hand van gesprekken met Fuld, zijn zuster in Den Haag, vrienden, fans en mensen die met hem gewerkt hebben in Nederland, Amerika en Isräel, portretteert Van Hoorn hem als een man die genoot van die roem en nu dolgelukkig is als hij merkt dat men hem nog niet is vergeten. Dat blijkt in de film onder meer als hij met de regisseuse een kijkje gaat nemen bij zijn geboortehuis in Rotterdam en hij twee keer op straat wordt herkend door toevallige voorbijgangers. “Geweldig,” horen we een stralende Fuld ontroerd mompelen.

Leo Fuld, die 47 jaar in de Verenigde Staten heeft gewoond en na de oorlog Amerikaans staatsburger werd, heeft sinds zijn definitieve terugkeer naar Holland in 1987 nauwelijks meer opgetreden. Maar nu er een film aan zijn leven en werk is gewijd, hoopt hij dat de tijden gaan veranderen. Om op alles voorbereid te zijn is hij vier maanden geleden opnieuw begonnen met zangles bij 'een zwart vrouwtje uit Oeganda' en in januari zal een cd van hem uitkomen met uitsluitend nieuwe nummers.

Goede woorden

“Ik heb in mijn leven zo'n duizend liederen gemaakt. En nog ben ik er elke dag mee bezig. Voor het schrijven van teksten heb ik altijd inspiratie. Alles is waard om er een lied van te maken, als je maar de goede woorden weet te kiezen. Ik kan gerust zeggen dat ik nu voor die cd een prachtig nummer heb geschreven: Zonder een lied kan de wereld nooit bestaan, zonder een lied de zon nooit ondergaan, geluk, verdriet, er is geen lach, geen traan, zonder een lied, zonder een lied. Tja, je bent een poëet of je bent het niet.

“Deze keer is er geen enkel joods lied bij, want daar is toch maar een beperkt publiek voor. Ik zing nu in het Nederlands, Engels, Frans en Arabisch. Men zei altijd dat ik een jiddische zanger was, maar ik ben een jood die zingt. Jiddische liederen zijn wel mijn specialiteit geworden en dat komt door mijn religieuze joodse achtergrond.”

Leo Fuld, geboren in 1912, was het een-na-oudste kind in een straatarm joods gezin met twee zoons en zes dochters. Zijn vader, die als marktkoopman en wonderdokter op kermissen zijn brood verdiende en 'het zwarte schaap' was van een gegoede muzikale Haagse familie, deed niets aan het geloof maar Leo's moeder des te meer. Om harentwille werd er thuis gebeden, koosjer gegeten en sabbat gevierd en zij was ook degene die wilde dat haar zoon naast zijn gymnasiumopleiding drie avonden in de week de joodse school bezocht. Nadat hij op zijn vijftiende een studiebeurs had gewonnen ging hij naar het Nederlands Israëlitisch Seminarium in Amsterdam om opgeleid te worden tot rabbijn.

“Ik trok toen veel op met de Poolse en Russische joden. Met hen ging ik vaak mee naar de sjoel als we wisten dat er een bekende gazan, een voorzanger, te horen was. In die tijd had je in Amerika een wereldberoemde cantor: Josele Rosenblatt. Zijn stem was op plaat uitgebracht en daar luisterden wij als jongens naar. Diep onder de indruk waren wij van hem. We deden hem na en ik was daarin het beste. Toen de rector van het Seminarium dat hoorde liet hij me een keer voorzingen en sinds die tijd - ik was zestien - ben ik bijna elk weekend naar plaatsjes als Gouda, Oudewater, Beverwijk, Vianen en Vlissingen gestuurd om er als voorzanger de dienst te doen. Ik vertrok op vrijdagmiddag vóór sabbat en zondagochtend ging ik weer terug. Dat heb ik een paar jaar gedaan. Fantastisch vond ik het.”

Jiddisch repertoire

Niettemin gaf hij op zijn achttiende zijn rabbijnstudie op voor een carrière als zanger. Hij legde zich toe op het jiddische repertoire. “In die tijd was ik bevriend met Rosenberg, de eigenaar van de Asta-bioscoop in Rotterdam en de voorzitter van de Poolse sjoel waar ik sjammes was: degene die de boel schoon houdt in de synagoge. Ik gaf ook zijn dochter les in Hebreeuws en bij haar thuis zag ik een keer op de piano de muziek staan van het jiddische liedje Ich fuhr aheim. Dat genre bestond hier toen niet, maar het sprak me onmiddellijk aan. Ik besloot dat soort liedjes, die uit Amerika gehaald waren, te leren en al gauw kon ik als zanger gaan optreden in café De Kool in Rotterdam. Voor twee vijftig per week werd ik aangenomen om zestig liederen op een avond te zingen.”

Niet lang daarna, in 1932, deed Fuld auditie bij de VARA, waarna hij een contract kreeg om vijf keer per week allerlei soorten liedjes voor de radio te zingen. Binnen de kortste keren was hij in Nederland een Bekendheid. Tussen de bedrijven door trad hij op in de Hollandsche Schouwburg als gast in de revue Hier Parkeren van Wim Kan en Corry Vonk. Deze onbetaalde samenwerking werd na zes weken verbroken omdat Fuld, die intussen op de bonnefooi naar Engeland was gegaan om auditie te doen bij de BBC, een aanbieding kreeg bij de Engelse radio. Hij werd de eerste Nederlandse zanger die voor de BBC zong. De bekende orkestleider Jack Hylton die hem daar hoorde, contracteerde hem direct voor drie jaar, inclusief een buitenlandse tournee.

“In Londen kon ik ook al gauw gaan optreden in verschillende theaters. De eerste keer was dat in een joodse buurt. Toen ik daar aankwam schrok ik me een ongeluk. Er hing een enorm affiche: For the first time in Great-Britain: the worldfamous American trumpetplayer and singer Louis Armstrong en daaronder mijn naam. We hebben kennis gemaakt en sindsdien bleef Armstrong altijd luisteren als ik zong. Later, toen ik hem eens in 1940 op Broadway ontmoette, heeft hij me omhelsd en gezegd: 'Now listen brother Fuld. You come from a war, how you fixed financially in this war?' Ik zei dat het wel ging maar hij haalde een chequeboek tevoorschijn en schreef een cheque uit van duizend dollar. Ik mocht het niet weigeren. Ach, wat een lief mens was hij toch.”

Bombardement

Hoewel Fuld het geld goed kon gebruiken had dat niets te maken met de oorlog in Europa - in februari 1940 was hij al naar Amerika vertrokken. Voor de tweede maal overigens. Van 1936 tot 1939 had hij in New York en Hollywood gewoond en gewerkt, maar een verlopen verblijfsvergunning noopte hem na drie jaar tijdelijk naar Holland te gaan. Terug in New York verzorgde hij tijdens de oorlog via de kortegolf radio-uitzendingen (een combinatie van nieuws en liedjes) voor het verzet in Holland. Daarnaast gaf hij in The Seaman's Home twee keer per week voorstellingen voor de Nederlandse koopvaardij. Via de radio bleef hij op de hoogte van de situatie overzee en zo vernam hij op een ochtend in bad dat Rotterdam was gebombardeerd.

“Wat er toen is gebeurd heb ik pas later van mijn zuster gehoord. Na dat bombardement heeft iemand mijn broer Izak, die ook met zingen en trompet spelen was begonnen, gevraagd of hij op de Coolsingel wilde helpen gewonden te vervoeren. Hij is gegaan en nooit meer teruggekomen. Niemand weet waar hij is gebleven. Een tijd later kreeg ik van mijn vader een brief waaruit bleek dat mijn moeder van verdriet was gestorven. Ze kon het niet aan dat ze Izak en mij, op wie ze zo trots was, nooit meer zag. Ze is de enige van mijn familie die een begraafplaats heeft in Wassenaar.

“Op mijn ene zus na die de oorlog heeft overleefd omdat ze dank zij haar huwelijk met een Haïtiaan is uitgewisseld tegen Duitse krijgsgevangenen, is heel de familie weggevoerd. Naar Auschwitz, Sobibor en Mauthausen. Ik denk nog vaak aan Bep en Fietje, die waren altijd samen. Wat hun is overkomen vind ik zo vreselijk. Een christenjongen die op een van hen verliefd was had haar aangeboden bij zijn familie in Friesland onder te duiken. Zij had daar wel oren naar maar mijn vader, die niets aan het geloof deed, wilde dat niet. Toen Fietje zich later met een koffertje moest gaan melden is Beppie met haar meegegaan.

“Met mijn zuster in Den Haag praat ik er weleens over. Dan bel ik haar op en vraag: weet je wie er vandaag jarig was? Ja, zegt ze dan, Fietje. Oudejaarsavond vind ik de ergste avond van het jaar. Hoe arm we ook waren, we hadden dan altijd wat te eten. M'n vader bakte oliebollen en op 1 januari was mijn moeder jarig. Nu wil ik op die avond helemaal alleen zijn. Ik zeg altijd tegen iedereen dat ik niet thuis ben en dat ze me niet moeten bellen.”

Het trauma van de oorlog achtervolgt Leo Fuld naar zijn zeggen nog steeds. Na 1945 was dat aanvankelijk zelfs zo groot dat hij een tijd niet kon zingen. “In die periode ging ik twijfelen aan het geloof. Maar ik had onder mijn vrienden een paar katholieke priesters die weleens naar mij kwamen luisteren. Eén van hen, Father Bob, zei tegen me: 'My son, ik twijfel ook. Dat hebben we allemaal, maar het geloof blijft toch.' En dat is zo. Tot op heden zeg ik mijn gebeden, al ga ik niet meer naar de synagoge.”

Tournees

Hoewel Fuld vlak na de oorlog niet zong schreef hij een revue waar hij mee rondreisde, daarnaast werkte hij als playdoctor: in die functie moest hij proberen van slechtlopende shows iets redelijks te maken. Eind 1947 pakte hij de draad echter op en begon hij weer op te treden. De aanbiedingen stroomden al gauw binnen. De tournees brachten hem naar alle hoeken van de aardbol en af en toe naar het Tuschinski Theater in Amsterdam. In totaal is hij dertig keer rond de wereld geweest, constateert hij met gepaste trots.

“Ik ben zelfs in Egypte geweest toen Nasser daar zat. Ze hebben de boel afgebroken, zo'n succes was het. En mijn tour de chant in Ethiopië, dat was iets! In 1956 moest ik daar zingen op de bruiloft van de kleindochter van Haile Selassie. Er was een ontzaglijke tent gebouwd waar alle hoofden van de provincies met speren naar toe waren gekomen. Ze zaten er rauwe stukken vlees te eten. Het stonk verschrikkelijk.

“Eerst was er een buikdanseres, daarna een Egyptenaar - l'homme de bronze noemde hij zich - die met zijn spierballen rolde en daarna ik: Le vedette international Leo Fuld. Ik zong iets van Charles Aznavour waar ik altijd de handen mee op elkaar kreeg, maar toen reageerde niemand. Ze hadden alleen belangstelling voor hun vlees. Dat was me nog nooit gebeurd. Maar toen ik het liedje Spielzigeuner begon te zingen werden ze stapel, die melodie drong tot ze door. Ik heb gauw het repertoire omgegooid en er een synagoge van Ethiopië van gemaakt.”

Ook in Israël, dat hij sinds de zomer van 1949 jaarlijks bezocht, werd hij op handen gedragen. Hij gaf er concerten (“Ik was het grootste succes dat ze ooit hebben gehad in Israël”) en werd geïmiteerd. Later ging hij er vooral op zoek naar talentvolle artiesten die hij naar New York haalde om op te treden in zijn in 1957 opgerichte club de Sahbra. Het was de eerste Israëlische club in Amerika met twee shows op een avond en een koosjer restaurant (op het menu stond Ge-Fuld-ete Fish) waar alle Groten elkaar ontmoetten.

“Allemaal kwamen ze kijken: Danny Kaye, Sinatra, Lionel Hampton. Het werden mijn vrienden en met iedereen sta ik op de foto. Wat jammer nou dat ik die foto's heb uitgeleend voor de film, anders zou ik ze u laten zien. Maar om kort te gaan: na acht jaar, op het hoogtepunt, heb ik de club verkocht omdat mijn principe is dat niets in de wereld blijvend is. Bovendien word ik zenuwachtig als dingen heel goed gaan, dan hoop ik bijna dat er iets misloopt.”

Na de Sahbra in New York richtte Fuld in 1966 La Bohème op in Amsterdam. Hoewel het publiek in de rij stond heeft de club slechts een maand of vijf bestaan omdat Fulds muziekvergunning wegens geluidsoverlast werd ingetrokken. Kort daarna vertrok hij naar Las Vegas, waar hij twaalf jaar woonde. In Israël kwam hij niet meer sinds de Zesdaagse Oorlog, pas nu, na vijfentwintig jaar, is hij er voor het eerst weer geweest samen met de filmploeg van de NOS.

“Deze zomer heb ik voor het eerst gebeden bij de Klaagmuur. Dat was het grootste moment in m'n leven. Het was trouwens ook ongelofelijk dat zoveel mensen mij nog herkenden. Na een radio-interview met mij kwamen er honderden telefoontjes. En in een café in Tel Aviv hoorde ik een man aan een kennis vragen of hij Leo Fuld op de radio had gehoord. 'Leo Fuld, leeft die nog?' vroeg de ander. Toen stond ik op en zei: 'Ik leef nog'. Ze hebben me omhelsd.

“Dat waren ontroerende momenten. Maar ach, roem betekent uiteindelijk niks in het leven. Na alles wat ik heb bereikt zit ik hier in Amsterdam. En dat is wel goed. Ik ben een survivor en ik heb nog allerlei plannen en ideeën voor shows en televisiecomedies. Het gaat om de toekomst. Ik ben niet zo'n weemoedig type dat terugdenkt aan vroeger. Ik ben eerder fatalistisch ingesteld: Wus geween ist geween.”