Een witte Sint

Op de tekening in het oude boek op de zolderplank staat Sinterklaas. Zijn rode jas wappert in de winterwind. Achter hem sjouwen vier Pieten door de sneeuw. Met grote juten zakken waar de cadeautjes uitpuilen. De daken, de bovenkant van de kale boomtakken, het hoedje van de oude lantaarn, alles is wit.

Ik heb heel lang in Sinterklaas geloofd. Veel langer dan andere kinderen uit mijn klas en in de buurt. Maar toen ik de waarheid hoorde, dacht ik meteen aan dat plaatje. Ik had het kunnen weten. Want had er wel eens sneeuw gelegen in de Sinterklaastijd? Nee. Ik kon het mij niet herinneren.

Mijn neefjes Robert en Marc springen door de kamer. Vanavond mogen zij hun schoen zetten. Want vandaag, bij de haven, zet de Sint voet aan Nederlandse wal. Daar klimt Hij op Zijn paard en begint aan de intocht in het dorp.

Het is koud, ijzig koud. Mijn handen vriezen bijna vast aan de wielringen van mijn rolstoel. Er staan veel mensen langs de kant van de weg. En dan, ineens, gebeurt het. Eerst zijn daar de acrobaatpieten. Ze rennen over de straat, smijten met pepernoten.

“Hier,” schreeuwt Robert. Er vliegt een wolkje uit zijn mond. Marc duwt zijn gezicht in mijn schoot. Ik hoor de paardevoeten. Stippelstippelstippelstap. Nou ja, iets harder. En dan zie ik ze. De hoofdpieten op de bruine paarden, en daarachter de schimmel met... Sinterklaas. Hij groet deftig met zijn witte handschoenhanden. En wij zwaaien terug. De meneer naast mij die net nog heel chagrijnig keek toen Robert op zijn tenen stond, roept 'dag Sinterklaas'.

Het is al donker. Marc loopt met een grote dikke winterpeen en Robert schrijft zelf een brief aan Sinterklaas. Hij is al twee maanden 6 en leert schrijven in groep 3.

“lieven sintniekoolaas kompt u as het donker is er staat waater for het paart en mijn broertje wil een suupersooker honert ik wil graag een spelkompjoeter dag van Robert”

Ik heb mijn kraag rechtop gezet. De wollen wanten van mijn tante houden mijn vingers warm. Hard doorrijden maar, denk ik als ik de stoep opdraai. En dan ineens, zie ik iets vreemds. Om het licht van de lantaarnpaal hangen allemal glittertjes. Ik kijk en kijk nog eens. Ja, ik zie het goed. Het sneeuwt. Niet hard, meer een soort motsneeuw. Maar genoeg om even later, als ik bijna thuis ben, met mijn banden een heel spoor te maken.

Als ik om 9 uur op mijn bed voor het raam zit, is het buiten al helemaal wit. Het dak in de verte, de weg, de bomen, de muurtjes van het hek. Het kan dus tóch. Het plaatje in het boek op zolder liegt niet. Sinterklaas in de sneeuw. Ik ga er bijna weer van geloven.