Een traan in het donker; De voordelen van de bioscoop

Honderd jaar geleden ging het hooggeëerde publiek voor het eerst naar de kermis om zich te vergapen aan de meer dan levensgrote projectie van bewegende beelden uit de realiteit, bijvoorbeeld een trein die de zaal in leek te rijden. De eerste films van de gebroeders Lumière waren documentaires, al was er heel wat voor geënsceneerd en werd de term 'documentary film' pas voor het eerst gebruikt in 1926 door de Schot John Grierson. Hij definieerde de documentaire als 'the creative treatment of actuality' en onder zijn leiding zou een Britse, later ook Amerikaanse school ontstaan van documentaristen, die hun weergave van de actualiteit zo kneedden dat ze er de publieke opinie mee konden beïnvloeden. De documentaires van Grierson en de Amerikaanse New Deal-filmers, maar ook van Ivens en Vertov, waren pamfletten, politieke propagandafilms om de kijkers op te roepen tot steun aan de Republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog, een grotere maatschappelijke inzet in de Tweede Wereldoorlog of nog later bij de wederopbouw. Dat soort documentaires zie je niet veel meer, behalve misschien bij een liefdadigheidsactie of in de zendtijd van politieke partijen, op de televisie.

In zijn herinnering aan de moord op president Kennedy meent menigeen te weten dat de reguliere televisieuitzending onderbroken werd door beelden uit Dallas. In werkelijkheid hadden veel Nederlanders nog helemaal geen toestel en waren er zeker nog geen satellieten, zodat het minstens een dag duurde voordat het NTS-journaal filmmateriaal opgestuurd had gekregen. Wie wilde horen en zien wat er in de wereld om ging, was aangewezen op de bioscoop. De Cineac met zijn doorlopende voorstellingen van filmjournaals trok meer bezoek in de weken na een schokkende gebeurtenis of een belangrijke sportwedstrijd. Helemaal storm liep het daar wanneer al enkele maanden na een koninklijk bezoek aan de West, Polygoon een kleurenreportage vertoonde waarin prins Bernhard met de autochtonen danst. Ik geloof niet dat zulke reportages gepresenteerd werden als 'documentaire', maar dat was wel het geval met Herman van der Horsts spiegel van Suriname Faja Lobbi, die het in 1960 maandenlang uithield in de Cineac.

Live-verslaggeving

Het behoeft nauwelijks betoog dat de televisie de rol van venster op de wereld van de bioscoop overgenomen heeft. Tegen de live-verslaggeving door CNN van elke brandhaard van mondiaal belang of de rechtstreekse reportage van hele etappes van de Tour de France kan geen documentaire meer opboksen. De functie van de documentaire is dan ook drastisch veranderd: de nadruk in Griersons nog steeds alom geaccepteerde definitie ligt nu dan ook op het woordje 'creatief', terwijl 'actuality' eerder als werkelijkheid dan als actualiteit vertaald moet worden.

Johan van der Keuken, Raymond Depardon en D.A. Pennebaker, om maar een paar namen te noemen, maken nu non-fictiefilms die niet willen overtuigen of beleren, maar onder de huid van hun onderwerp kruipen, en daarbij meestal ook iets over de filmmaker onthullen. De tegenwoordig wel eens geopperde term 'creatieve documentaire' is dus eigenlijk een pleonasme. Aangezien de B-film en de Laurel & Hardy-matinee in de bioscoop plaats hebben gemaakt voor Chinese of Nieuw-Zeelandse kunstfilms, zou je verwachten dat die moderne, hoge eisen aan het publiek stellende documentaire ook op het grote doek zijn natuurlijke plaats zou vinden. Dat is niet helemaal waar.

De laatste jaren valt er in Nederland, mede onder invloed van het International Documentary Filmfestival Amsterdam (IDFA) een zekere renaissance te bespeuren in de bioscoopvertoning van documentaires. Een enkele documentaire, zoals Jos de Putters Het is een schone dag geweest en in iets mindere mate Sonia Herman Dolz' stierenvechtersfilm Romance de valentá, zorgt zelfs regelmatig voor uitverkochte zalen. Grosso modo gaat men echter alleen nog de deur uit voor filmspektakel en filmamusement, te meer daar je er op kunt rekenen dat elke documentaire binnen afzienbare tijd thuis bezorgd zal worden. Het is namelijk in Europa niet meer mogelijk een film, fictie of non-fictie, te financieren louter uit de verwachte opbrengst in de bioscoop plus een aanvullende overheidssubsidie. De televisie betaalt altijd mee en zal in ruil daarvoor minstens het recht opeisen er zendtijd mee te mogen vullen.

Confrontaties

Er valt te twisten over de voor- en nadelen van het kijken naar documentaires op een groot doek. Ik zie in principe elke film, documentaire of speelfilm, het liefst in het donker, wegens de grotere scherpte-diepte en de betere concentratie, al was het maar omdat de telefoon daar niet gaat. De belangrijkste reden is sentimenteel en persoonlijk: ik beleef die soms ondraaglijke confrontaties met een film bij voorkeur met het licht uit. Het is waar dat afgehakte ledematen in journaalbeelden moeilijker te accepteren zijn dan in een horrorfilm, en geen uitvergroting verdragen. Maar het stileren, kadreren en vaak zelfs gedeeltelijk ensceneren van de realiteit in een echte documentaire luistert naar dezelfde wetten als bij een speelfilm.

Ordinair

Iets anders is het automatische primaat van de bioscoopvertoning. Zoals het theater aan het eind van de negentiende eeuw van volksvermaak promoveerde tot privilege van de bourgeoisie - en nog later tot exclusief bezit van een culturele elite - zo zijn langzamerhand in de bioscoop ook de hoger opgeleiden in de meerderheid. Hun dédain geldt de ordinaire televisie. De opvolgers van Ter Braak schieten nu hun gifpijlen af op de afstompende cultuur van spelletjes, soap-series en ander geprefabriceerd sentiment. Ze kijken er even gegeneerd naar als ze vroeger Tuschinski binnenslopen.

Omdat de televisie over een veelvoud aan kijkers en middelen beschikt, maakt zij nu de dienst uit in de audiovisuele produktie. Wel voelt ze zich ongemakkelijk over het gebrek aan prestige. De bioscoop doet steeds duidelijker dienst als etalage en marketing-instrument van de televisie- en video-industrie. Een kort bioscooproulement kost vaak meer dan het in eerste instantie oplevert, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de gratis publiciteit.

Omdat er geen film meer gemaakt kan worden zonder televisie-participatie, hebben de omroepen in Nederland een onevenredige macht. Hun vetorecht, ingegeven door de verwachte kijkcijfers, bepaalt in feite wat er wel of niet gedraaid wordt. Er is meer aandacht voor enge ziektes, transseksuelen en heroïnehoertjes in Hilversum dan voor niet zo spectaculaire onderwerpen. Dat is zuur voor de filmregisseurs en -producenten, die bovendien veelal andere tijden meegemaakt hebben. Dit alles geldt even zwaar voor speelfilms als voor documentaires.

Ten aanzien van de documentaire is er nog een ander probleem, namelijk de verwarring over het gebruik van dat woord. Niemand betwist de televisie de absolute hegemonie in de presentatie en representatie van onze wereld, in journaals, live-uitzendingen, actualiteitenrubrieken en achtergrondreportages. Het met prestige beladen woord 'documentaire' boezemde de non-fictie-omroepchefs aanvankelijk koudwatervrees in: ze vonden het iets elitairs, waar niemand voor half twaalf 's avonds naar zou willen kijken. Onder de druk van beleidsmakers bij WVC, het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepprodukties en delen van de publieke opinie, is dat gaan kenteren.

Brandweerlieden

De laatste tijd halen sommige documentaires verbazingwekkend hoge kijkcijfers. De mode van de 'reality television', de hausse die zowel brandweerlieden en criminelen voor het voetlicht haalt als naar verloren familieleden speurende 'gewone mensen', maakte de omroepbonzen weer ontvankelijk voor uit het leven gegrepen beelden. In reclamezendtijd zijn opvallend veel spotjes te zien die zich bedienen van het traditionele idioom van de documentaire: zwart-wit-beelden die duidelijk maken dat interessante mensen niet zonder een bank kunnen, de close-up van een actrice die aarzelend de voordelen van een auto formuleert, een in 'direct cinema'-stijl door Frans Bromet gefotografeerd gezin aan het ontbijt. Zelfs RTL5 kondigde onlangs aan binnenkort vier documentaires per week te gaan uitzenden.

Maar veel van wat de televisie nu als documentaire etiketteert, verdient die naam nauwelijks. Medische voorlichtingsprogramma's en specials van actualiteitenprogramma's horen er niet bij, evenmin als keurig archiefmateriaal ordenende portretten van grote geesten. Er zijn grensgevallen, zoals het VPRO-buitenlandmagazine Diogenes, dat zowel stevige reportages als meer persoonlijk gekleurde korte documentaires bevat.

Het wordt hoog tijd de televisie serieus te nemen. Groot is vooral de behoefte aan het vaststellen van een kwaliteitshiërarchie. Filmfestivals als de Nederlandse Filmdagen en IDFA zouden zich wat minder laf moeten verschuilen achter formele criteria: ze moeten goede speelfilms en documentaires tot de competitie toelaten en slechte weigeren, in plaats van het formuleren van ingewikkelde reglementen om de televisie op haar plaats te zetten.

Wantrouwen

Het IDFA laat bijvoorbeeld regelmatig wel op zichzelf verdienstelijke televisieprogramma's toe, omdat de financierende omroep bereid is te wachten met uitzending tot (soms slechts een dag) na de festivalpremière, en weigert andere, baanbrekende documentaires in competitie, omdat de uitzending al geweest is. Een internationaal invloedrijk documentairefestival, en dat wil IDFA zijn, zou zich daar niets van aan moeten trekken en de geïnteresseerde bezoeker een strenge selectie moeten aanreiken uit het overstelpende aanbod.

Het wederzijdse wantrouwen tussen de film- en de televisiewereld neemt soms groteske vormen aan. De festivals zouden zich daar verre van moeten houden, en een eigenwijze keuze maken voor kwaliteit. Modieuze aandacht voor exclusiviteit en actualiteit past daar slecht in. Documentaires behoeven enige distantie. Het is onmogelijk nu al een documentaire te maken over Sarajevo. Omdat IDFA toch niet aan de tragedie van voormalig Joegoslavië voorbij wilde gaan, werd een elegante oplossing gevonden. Een groot aantal recente televisiereportages over de jongste Balkanoorlogen werd bij elkaar gezet in een aparte sectie 'Media & Oorlog'. Door de combinatie met documentaires over de Spaanse Burgeroorlog, Vietnam en de Golfoorlog ontstond een fraai historisch overzicht van de ontwikkeling van de Griersonachtige propagandadocumentaire tot de manier waarop wij nu kennis plegen te nemen van de gebeurtenissen in voormalig Joegoslavië. Over de aard van die laatste verslaggeving valt veel te zeggen. Maar noem het toch vooral geen documentaires.