Een stoere vrouw met een Europees perspectief; Grote woorden in gedurfde roman van Nelleke Noordervliet

Nelleke Noordervliet: De naam van de vader. Uitgeverij Meulenhoff. 351 blz. Prijs: ƒ 39,50

Sinds Nicolaas Matsier aan zijn autobiografie is begonnen in Tirade, Oek de Jong een mystieke richting is ingeslagen, Doeschka Meijsing hartstochtelijke boeken is gaan schrijven en er ook van hun epigonen weinig meer vernomen wordt, lijkt het Revisor-proza ter ziele. Introspectie is uit de tijd, evenals bibliotheekonderzoek of het neuzen in naslagwerken om te proberen het raadsel van de afstand tussen het eenzelvige ik en de wereld te doorgronden. De binnen- of bovenkamerliteratuur is voorlopig van de baan. De wereld is dichterbij dan ooit. De tv-journalistiek heeft hier krachtig aan bijgedragen door de oorlog als het ware bij de mens thuis te brengen. Vooral sinds de ineenstorting van het communisme, is Midden-Europa bijna niet meer weg te denken uit de literatuur. Want veel meer nog dan Irak en Somalië spreken de voormalige Oostbloklanden tot de literaire verbeelding.

'Alweer de val van de Muur', noteerde ik tijdens het lezen van De naam van de vader, de nieuwe en vierde roman van Nelleke Noordervliet. Het uiteenvallen van ons omringende landen, of juist de hereniging ervan - het zijn fraaie, nieuwe symbolen die geschikt lijken om individuele lotgevallen een universeler aanzien te geven. Een schrijver wordt daarmee vanzelf ook een wereldbeschouwer, een cultuurfilosoof of een Middeneuropa-deskundige.

Net als Tessa de Loo in De tweeling, liet Noordervliet zich in De naam van de vader inspireren door de Nederlands-Duitse betrekkingen. Bij haar gaat het niet om twee zussen, maar om een dochter en vader, die elkaar niet kennen. De dochter is namelijk nog net in oorlogstijd verwekt bij een Nederlandse vrouw en moet vervolgens als 'moffenkind' door het leven, gehoond en bespot door allen die menen goed te zijn geweest in de oorlog. Anders dan andere kinderen heeft zij geen veilige of vanzelfsprekende plaats in de wereld. “Zij was zomaar ergens in die Welt geworfen en moest zich zien te redden.” Dat doet ze dan ook, want Noordervliet houdt niet van slachtoffers. Maar dat zij het tot advocaat heeft gebracht, wil niet zeggen dat zij ook tevreden en gelukkig is.

De zoektocht naar de vader, die zij begint op haar vierenveertigste, staat niet op zichzelf. De naam van de vader gaat niet alleen over een ongelukkige jeugd, een vastgelopen huwelijk en een overleden kind, maar ook over de jodenvervolging, de jaren zestig in Nederland, de Parijse studentenopstand, de Praagse Lente, 'die Wende', Roemenië en Joegoslavië.

Vanaf het begin is duidelijk dat we hier met een stoere vrouw te maken hebben. Zij is dik, groot, sterk, vitaal en eigenzinnig. Zij heeft leeuwkleurig haar en felblauwe ogen, plast liever onder een boom dan bij de 'damesmevrouwen' en krijgt zelfs mythologische trekken. Noordervliet noemde haar Augusta de Wit, naar de schrijfster van Orpheus in de Dessa, een titel die in de roman terloops ter sprake komt. Een curieuze vernoeming. De enige overeenkomst die ik heb kunnen ontdekken tussen het eenvoudige, Indische verhaal en Noordervliets breed opgezette roman, is het berouw dat in beide boeken beleden wordt. Een belangrijk verschil is echter dat de schuldige het in Orpheus in de Dessa ook werkelijk gedaan heeft, terwijl in De naam van de vader boete wordt gedaan voor wandaden die door anderen zijn bedreven. De Augusta de Wit van Noordervliet heeft de neiging om alle schuld op zich te nemen, uit een soort universeel verantwoordelijkheidsbesef.

Deze verheviging vind je op alle manieren terug in de roman. Niet alleen Augusta en haar lotgevallen worden aangedikt, maar ook de taal, die overmatig literair is, bij het snoeverige af zelfs. Er is bijna geen zin, of er komt wel een klinkende vergelijking in voor. Als Augusta zich afvraagt welke persoon ze voor zich heeft, dan heet het dat ze tijd nodig heeft om 'het lijk van de jonge Wytze met een label aan zijn teen uit de morgue van haar geheugen te halen'. Over een huwelijk wordt gezegd dat het 'een Droste-doos van onuitgesproken bedoelingen' is. Een broer wordt uitgerust met een 'voetbalverstand', een Oostduitser gaat gekleed in 'een allochtonenpak van Cheap & Awful'.

Noordervliet heeft de neiging om alles net iets te mooi te willen zeggen, waardoor de dingen vanzelf vertroebelen en onaanraakbaar lijken te worden. Liever laat ze haar romanfiguren ferme redevoeringen afsteken dan ze een min of meer normaal gesprek te laten voeren. Zelfs een straatmuzikant, die beweert dat hij niet van debatteren houdt, drukt zich uiterst moeizaam uit. “Hij ging voor knock-out in de erotiek. Daar was iedere mogelijke machtsverhouding te vinden in haar meest pure en wetteloze en veranderlijke vorm. De zuigkracht van de anarchie voerde naar de extase, waarin de mens de god naar de kroon stak. En dus, zo redeneerde Mario, werd het hele bouwwerk van de maatschappij gefundeerd in de beteugeling en formalisering van passie. Seks was een paradox geworden, een gevecht om elkaar en tegen elkaar, het was de gereglementeerde kunst van bandeloosheid, het scherp van de snede tussen dood en leven. Viering, vreugde, vervoering, rouw, wedergeboorte.”

Er is, bij alle breedheid van perspectief en bij de enorme achtergrondkennis die erin tot uitdrukking komt, iets onmachtigs in deze roman, dat door de grote woorden die Noordervliet gebruikt, eerder wordt benadrukt dan verhuld. Het zal ook haast wel onmogelijk zijn, in zo'n brede opzet, om genuanceerd te blijven. En dus wordt het voormalige Tsjecho-Slowakije in een paar hoofdstukjes doorgelicht, wordt de 'Ossi' in een handomdraai geduid, en krijgt ook Sartre zijn trekken thuis: 'een kleine man met de blik van een microcefale foetus'.

Toch is het jammer dat ze zo'n ongeloofwaardig contrast aanbracht tussen de Duitse vader en de Nederlandse stiefvader van Augusta. De vader, die veelbetekenend Schulz heet - op één letter na Schuld -, blijkt afkomstig te zijn uit een beschaafd en geleerd milieu. Daarentegen is de stiefvader, die na de oorlog geheel vrijuit ging, een kille rekenaar, die zich zonder blikken of blozen een joodse slagerij toeëigende en onderduikers aangaf.

Te waarderen valt de grote inzet en de gedurfdheid van De naam van de vader. Ook is het knap dat de roman overzichtelijk is gebleven en ondanks de omvang behoorlijk compact, omdat Noordervliet de vele touwtjes strak in handen heeft weten te houden. Aan mij is hij desondanks niet erg besteed. Het verhaal gleed langs me af, 'als water langs een eend', om met Noordervliet te spreken. Maar misschien ligt dat wel aan mij, die nog onvoldoende gewend is aan een Europees perspectief en stiekem begon terug te verlangen naar het zoveel persoonlijker, ingetogener en onthechtere Revisor-proza en een stoffig hoekje in de bibliotheek.

UIT: NELLEKE NOORDERVLIET, DE NAAM VAN DE VADER

“Het was zacht gaan regenen. Kraaltjes water hechtten zich aan Augusta's haar en bleven liggen op haar wollen jas. De kleuren en lijnen van het landschap vergrijsden. Alles is geschiedenis, dacht Guus. Het nu bestaat niet. Het moment is jacht op een prooi die sneller is dan de jager. Of het andere is waar: verleden bestaat niet, er is een voortdurend heden, omdat we nergens anders kunnen zijn dan in het hier hier en nu als op een vlot in de oceaan. En ons geheugen is een grammaticale hulpconstructie zonder antecedenten. Het ik is leeg. Het is onherbergzaam en kil als het heelal. In het moment is niet te leven zonder geschiedenis.”