Een cursus Hollander worden; Koot en Bie, allemaal gewone Nederlanders

Kees van Kooten en Wim de Bie: Ons kent ons. De types van Van Kooten en De Bie. Uitg. de Harmonie. Prijs ƒ 34,90

O, kende ik maar iemand die een week geleden in Nederland is komen wonen. Hij weet niet wie Kees van Kooten en Wim de Bie zijn. Hij moet nauwkeurig beschrijven wanneer het hem daagt, op welke pagina, dat de afgebeelden steeds dezelfden zijn. Ik schat dat dat op pagina zestien is, daar waar 'Manus Franken en Jons van der Vleugel, verontruste VPRO-leden' boven staat.

Al eerder heeft de vreemdeling, toen hij het boek snel doorbladerde, zich afgevraagd waarom zoveel uiteenlopende, maar over het algemeen weinig opvallende mensen in 's hemelsnaam in dit boek zijn afgebeeld. Ik acht het uitgesloten dat hij begrijpt dat deze mensen eigenlijk niet bestaan. Daarvoor lijken ze te sterk op de mensen die hij gedurende zijn eerste week in Nederland links en rechts is tegengekomen. Het ontbreekt de vreemdeling ten ene male aan een clou. Hoe zou hij moeten begrijpen dat dit allemaal niet is wat het is? Dat deze mensen wel bestaan maar dat zij in het echt net niet zó bestaan als zij in dit boek bestaan? Ze staan tussen aanhalingstekens - maar hoe moet hij dat weten?

Het is ontzettend moeilijk om je deze vreemdeling in te denken. Naast 'de verontruste VPRO-leden' staat een man afgebeeld die Karel Timofeeff heet. Het is één van de onweerstaanbaarste foto's in dit onbedaarlijk onweerstaanbare boek. Maar hoe reageert de vreemdeling? Hij heeft nu vermoedelijk ontdekt dat dit dus weer de langste van de twee mannen is - maar hoe olijk die ook kijkt, het zou nog altijd heel goed een reëel bestaande Nederlander kunnen zijn. Misschien is het wel die lange in zijn natuurlijke toestand...

Er bestaat zoiets als het Timofeefse, dat al Timofeeffs was toen het nog niet de gedaante van De Bie had aangenomen, en dat, toen De Bie hem eenmaal werd, plotseling spreekwoordelijk werd, en bijna onduldbaar Timofeeffs, zonder dat je nu precies kunt zeggen wat De Bie nu eigenlijk aan de oorspronkelijke Timofeeff had toegevoegd. Leg dat maar eens uit aan iemand die Nederland nog moet leren kennen.

Terwijl je verder bladert, en de heren W. Rumpt en K. van Manderen ziet (die ik op de televisie heb gemist, en volgens het bijschrift 'ambtenaren' zijn), maakt zich een chauvinistisch verlangen van je meester. Je hoopt dat alle vreemdelingen zo snel mogelijk zullen kunnen begrijpen wat er aan dit boek zo onweerstaanbaar is, want als zij dit begrijpen, en in dezelfde lach schieten bij 'H. Mateman, CDA-Tweede Kamerlid' als ik, dan zullen zij iets essentieels begrijpen van wat het is om Nederlander te zijn. Bij mij thuis werd op dit soort ogenblikken overigens 'Hollander' gezegd. Een Hollander is iets anders dan een Nederlander voor mensen die uit Indië komen; dit boek, en je reactie op deze types, maakt je Hollands. Nooit was je er erg op gebrand om te kunnen zeggen: ik ben echt een Hollander, maar dit boek, dat wil zeggen het feit dat je pagina voor pagina begrijpt wat er te lachen valt, maakt dat je je onverhoeds krachtig Hollands voelt. De titel is verschrikkelijk goed gekozen. Ons Kent Ons. Dit boek maakt ons onvertaalbaar.

Deftig

De heer Willem van der Wiel, voddenfilosoof. Nergens anders ter wereld krijgt men de slappe lach van iemand die met een ringbaardje, een rode brommerhelm op, gezeten op een vlaknaoorlogse snorfiets, ernstig de camera in blikt. Deze ernst, die zich van negentig procent van de personages in Ons Kent Ons meester heeft gemaakt, alles zou je ervan willen begrijpen, want het is de onzekere en tegelijkertijd een beetje deftige ernst die je tot een volwaardig staatsburger maakt. En niemand die er niet van in de lach schiet.

Hoe komt dat?

Degene die hier een steekhoudend inzicht in kan verschaffen verdient de Nobelprijs voor Chemie. Je kijkt, honderdtweeëntwintig pagina's lang, naar mensen die op geen enkele manier niet zouden kunnen bestaan. Soms dragen ze de namen van deftige maar schichtige mannen die je dikwijls op de televisie ziet - Kosto, Van Thijn, Hirsch Ballin, Wöltgens. Toch lach je ook dan niet alleen om hoe treffend ze zijn nagedaan. Hoezeer dit boek ook een hommage is aan de onzichtbare, en bijna goddelijke Grimeur Arjen van der Grijn (die natuurlijk als mede-auteur op de omslag vermeld had moeten zijn),- toch is er meer aan de hand dan lachen om het perfectionisme van de imitatie. Het is iets anders. Het is, geloof ik, zelfs andersom. Als je Van Thijn ziet, de burgemeester, de echte, dan is het alsof hij nooit meer los gezien zal kunnen worden van de Van Kootense. En als je naar Van Kooten 'als' Van Thijn kijkt, dan weet je dat. Je maakt al starend in dit boek voortdurend een dubbele beweging. Je ziet 'Van Thijn', en ergens in je hersenen maakt je herinnering een loop, via de echte Van Thijn die op datzelfde moment verandert in 'Van Thijn', en dan is het gebeurd, je bent alweer in de lach geschoten.

Deze loop vormt de werkelijkheid om tot precies dat wat je nodig hebt om het type dat je ziet tussen haakjes te zetten. Hij wordt in het hiernamaals onderzocht door de semioticus Roland Barthes. Want als hij al geheimzinnig is bij typetjes naar bestaande figuren - hoe geheimzinnig is hij dan wel niet als je kijkt naar 'C. Elenblaas, gevangenisdirecteur'. Ook die heb ik op de tv gemist. En in mijn geheugen zit geen gevangenisdirecteur met toegeknepen mondje, Lee-Towersbril en grijs broshaar. Toch maakt je bewustzijn de loop. Dit is de gevangenisdirecteur, er wordt naar iets verwezen dat 'gaat staan naar' deze foto van De Bie.

Tezamen vormen deze foto's een totaalbeeld, van een Holland dat in zijn geheel is omgevormd naar het evenbeeld van Van Kooten en De Bie. Als ik ooit wel eens onwillekeurig gedacht heb: waarom gaan ze toch altijd maar dóór met Van Kooten en De Bie zijn, worden ze niet moe van zichzelf, hollen ze zichzelf niet uit - dan begrijp ik, dankzij dit meesterwerk (een ander woord is er niet voor, of het moest 'magnum opus' zijn), dat de tijd nog generaties lang steeds meer in hun voordeel gaat werken. Want hoe ouder ze worden, des te meer zal de werkelijkheid, zoals we haar herinneren, meer gaan lijken op zoals zij in Ons Kent Ons is weergegeven.

Arme nazaat, in 2050. Hij krijgt bij toeval deze foto's onder ogen. Hoe komt hij ooit te weten wat hij mist? Ernstig bladert hij door het boek op zoek naar een clou. Hoe wordt hij ooit nog zo Hollands als wij?