Door juridische blunders blijft vrouwenhandel sterk

De Belgische parlementaire commissie voor mensenhandel wil 'mensenhandel' als misdrijf in het Belgische wetboek van strafrecht opnemen. Maar uit een onderzoek van de criminoloog C.J.C.F. Fijnaut naar de vervolging van 'bende van de Miljardair' in Rotterdam, blijkt het ook met zo'n verbod niet eenvoudig vrouwenhandelaars te vervolgen.

ROTTERDAM, 3 DEC. Het beruchtste sekspaleis van Rotterdam is van naam veranderd. Le Milliardaire heet sinds vier maanden 'Ritz'. “Voorbijgangers bleven maar 'vuile vrouwenhandelaars' roepen”, zegt eigenaar Johan Gavel, een boomlange Belg voor een vitrine vol foto's van Aziatische schonen.

Als het aan de Rotterdamse politie had gelegen, was Le Milliardaire twee jaar geleden al gesloten wegens georganiseerde handel in vrouwen - een misdrijf volgens artikel 250 van het Wetboek van Strafrecht. Maar de Belgische eigenaars van deze nachtclub en een keten van 'cabarets' in Rotterdam, Antwerpen en Gent, wisten door blunders van het openbaar ministerie aan vervolging te ontkomen. Die mislukking heeft een demoraliserende uitwerking gehad op het justitieel apparaat in Rotterdam, betoogt criminoloog C.J.C.F. Fijnaut.

Onder de naam 'Officier van Justitie versus de Bende van de Miljardair' heeft Fijnaut onlangs een onderzoek naar deze zaak gepubliceerd. Hij schreef het in opdracht van de Belgische parlementaire commissie voor mensenhandel, die uit het mislukken van de Rotterdamse zaak lering hoopt te trekken. In België staat de vrouwenhandel hoog op de politieke agenda door het vorig jaar verschenen boek 'Ze zijn zo lief meneer' van journalist Chris de Stoop. Le Milliardaire geldt daarin als belangrijke 'draaischijf' in de internationale vrouwenhandel. Koning Boudewijn was zo onthutst dat hij De Stoop op audiëntie vroeg en vrouwenhandel tot zijn persoonlijke kruistocht maakte. Op de uitvaartmis van de koning mocht de journalist, vergezeld van een Filippijnse ex-werkneemster van Le Milliardaire oproepen de strijd van de koning voort te zetten.

De zaak tegen de 'bende van de Miljardair' leek in 1991 spijkerhard. De Vlaamse clan achter dit sekspaleis, die zich in 1986 hardhandig in de Rotterdamse prostitutiewereld nestelde, importeerde op grote schaal Filippijnse en Thaise vrouwen. Hij gebruikte hiervoor het impresariaat Stage International, dat de meisjes in groepjes van zes of acht als 'exotische balletgezelschap' contracteerde. Het ministerie van sociale zaken zorgde voor de werkvergunning, want 'exotische danseressen' trof men nu eenmaal niet in de kaartenbak van het arbeidsbureau.

Vervolgens werden de vrouwen - die blanco, of voor hen onleesbare contracten hadden getekend en diep in de schuld stonden bij de bende - door intimidatie, chantage (naaktfoto's naar de familie) en soms geweld en uithongering gedwongen tot prostitutie. Om daarna te worden doorgesluisd naar andere clubs of te worden 'verkocht' aan een trouwlustige klant.

Het openbaar ministerie, bekend met de moeizame bewijslast tegen vrouwenhandelaars, wilde pas in beweging komen bij een zaak die 'nagenoeg rond' was. Die leek zich aan te dienen toen in 1989 het ballet 'Midnight Express VI' zich bij de Filippijnse ambassade meldde met de beschuldiging door de bende met dwang te zijn aangezet tot prostitutie. Nu kwam het apparaat in actie; de voltallige top van de bende - Verbesselt, Van Engeland, Vanacker en Vincken - werd in grootse stijl gearresteerd tijdens een 'conferentie' in het Novotel te Breda. De vrouwen keerden na ondervraging op eigen verzoek terug naar de Filippijnen.

Op 6 september 1991 beloofde het bij de rechtbank van Rotterdam een bonte zitting te worden. Een raadsheer van Le Milliardaire had travestieten meegebracht om de rechters naar hun geslacht te laten raden. Daarmee wilde hij twijfel zaaien over de vraag of de vier aanklaagsters van 'Midnight Express VI' wel vrouwen waren. Want die waren op dat moment in Manila, Libanon en Cyprus, en konden niet gehoord worden. De verdediging stelde daarom dat het openbaar ministerie zijn recht om de aanklaagsters te verhoren, met voeten had getreden. De rechters waren snel overtuigd en verklaarden het openbaar ministerie niet ontvankelijk.

Fijnaut concludeert in zijn reconstructie dat de zaak mislukte door fouten van de rechter-commissaris die het vooronderzoek leidde, en achteloosheid van de rechters. Het openbaar ministerie bood de verdediging tweemaal de kans de vrouwen te ondervragen. De eerste keer weigerden de advocaten op zaterdag te werken, de tweede maal leek hen een reis naar Manila overbodig. De rechter-commissaris verzuimde echter die herhaalde weigering zwart-op-wit te vragen. De rechtbank was op haar beurt niet bereid de zaak te verdagen om de vrouwen alsnog op te sporen voor verhoor, hoewel dat geen enkel probleem bleek op te leveren.

Fijnaut wijt die ongeduldige houding van de rechtbank aan het feit dat het om een 'zomerrechtbank' ging, samengesteld uit Haagse en Amsterdamse rechters die achterstanden in Rotterdam moesten wegwerken. “In de haast hebben ze de zaak bij de afvalstort gezet”, zegt de criminoloog. “Men heeft niet beseft hoe belangrijk het voor Rotterdam was, dat er enorm was geïnvesteerd om de bende te pakken. In Nederland heeft men met de wet op vrouwenhandel alleen kruideniers kunnen pakken: Jan die in een lompe bui zes Poolse vrouwtjes plundert. Dit was eindelijk een zaak tegen een groot netwerk, en het netwerk won.”

In België richt de aandacht van de parlementaire commissie tegen mensenhandel zich met name op corruptieve banden tussen seksbazen en politieagenten, waarvan De Stoop in bedekte termen ook het Rotterdamse korps beschuldigt. Fijnaut: “Ik heb de houding willen corrigeren die ik bij Belgische parlementariërs proef: 'Als ze in Holland niet zo laks waren tegen de vrouwenhandel, zaten wij hier niet in de problemen'. Terwijl ze in Nederland voorop liepen door twee agenten van de vreemdelingendienst vrij te maken om contact te houden met buitenlandse prostituées. Al merkte de politie al snel dat de seksbazen elkaar via een onderling alarmsysteem waarschuwden bij controles. En dat agenten die bordelen aflopen, kwetsbaar zijn voor beschuldigingen van corruptie.”

Volgens Fijnaut wist de Rotterdamse politie al in 1987 hoe het in Le Milliardaire toeging. Ook lagen er aangiftes van klanten, die er waren mishandeld of met wier cheques en creditcards gerommeld was. Bij de voorbereiding van een grote actie tegen de clubs in 1988 bleek er echter een lek in het Rotterdamse korps te zijn. Bendeleden belden de politie zelf op om te melden dat ze alles wisten en dat de actie daarom wel afgeblazen kon worden. Dat gebeurde ook. De verdenking viel op een lid van de afdeling Bijzondere Wetten, maar bewijs vond men niet tegen hem.

Ondanks eerdere aangiftes kwam het pas in 1989 met 'Midnight Express VI' tot een strafzaak tegen Le Milliardaire. Animositeit tussen vreemdelingendienst en zedenpolitie is daaraan niet vreemd geweest, vermoedt Fijnaut. De zedenpolitie kon het maar matig waarderen dat de vreemdelingendienst actief werd in de sekshuizen - haar territorium - en was niet al te ijverig met de aangiftes die via de collega's binnenkwamen.

De vreemdelingendienst stelde zich intussen bloot aan de beschuldiging handjeklap te spelen met de seksbazen. Uit efficiëncy werd toegestaan dat de seksbazen hun Filippina's met busjes voorreden en de zaak met de ambtenaren regelden. Fijnaut: “Die vrouwen zagen de baas dan met de politie aan tafel. Papieren en enveloppes gingen heen en weer.”

Uit oogpunt van de politie zou het het beste zijn als het bordeelverbod geschrapt werd. Fijnaut betreurt het dat het wetsvoorstel van die strekking werd teruggetrokken, na weerstand uit de Eerste Kamer. “Vervolging zou dan mogelijk zijn als werkomstandigheden in een club objectief niet acceptabel zijn.”

Wel moet het de criminoloog van het hart dat het zijns inziens niet zo eenvoudig ligt met prostituées uit de Derde Wereld als De Stoop stelt. “Vrouwenhandel is een stuitende vorm van neo-kolonialisme, maar ze worden niet aan lange kettingen op het vliegtuig gezet. Een deel van de meisjes weet wat ze hier gaan doen, een ander deel wordt overgehaald of gedwongen. De Stoop is een kruisvaarder, en die zijn nuttig als je iets op de politieke agenda wil krijgen. Maar een morele kruistocht eindigt alleen maar in een nieuw politiekorps.”

En Le Milliardaire? Die heet nu dus 'Ritz' en heeft in Johan Gavel, voorheen manager van Le Milliardaire een nieuwe eigenaar. In 'Ze zijn zo lief meneer' wordt hij omschreven als 'trouw paladijn', die bij de Filippina's 'Mabaho' heette: de stinkerd. Hij zou, opnieuw volgens De Stoop, lastige meisjes aan de haren van de trap sleuren en met zijn grote vuisten in het gareel dwingen. Gavel zegt diep onder deze aantijgingen te hebben geleden: “Mijn vader wil me niet meer zien. Hij denkt dat ik een gangster ben.”

De Belg is naar eigen zeggen beste maatjes met de Rotterdamse politie, die “alles mag zien, alles mag weten”. Maar 'exotische ballerina's' zijn schaars geworden. Ze krijgen niet meer zo eenvoudig een werkvergunning. “Gisteren zei een klant nog: het was vroeger leuker, met die lieve Aziatische meisjes”, zegt de Belg nostalgisch. Waarna hij de Filippijnse vrouw (“lief, maar altijd zielig doen”) vergelijkt met de Oostblok-vrouw (“ruw, doortrapt”), waarvan de club het nu moet hebben. Zelf bezit hij gelukkig nog wel een Filippijnse vriendin, zegt Gavel.

Het rode tapijt van de Ritz ademt nog altijd een zure stank uit, afkomstig van de glazen champagne die werkneemsters onder tafel leeggieten om niet elke avond dronken te worden. Gavel zegt dat zijn vroegere bazen zich - zat van de “bananenverhalen” in de pers - uit de relaxwereld hebben teruggetrokken. Hij heeft geen idee wat ze nu doen. Al belt 'Papa' Robert van Engeland, een kopstuk van de oude bende, toevallig net op tijdens ons gesprek. Is de Belg niet, zoals vroeger, een zetbaas van de bende, die haar jachtterrein heeft verplaatst naar het Oostblok? Gavel wijst met een harde blik in de richting van de concurrent, nachtclub Lido: “Dat hebben ze u daar verteld, nietwaar? We zullen eens laten zien wie de baas is in Rotterdam.”