De nieuwsgierigheid van Joost Niemoller; De eerste Nederlandse roman over een seriemoordenaar

Joost Niemöller: De Spier. Uitg. Bert Bakker. 134 blz. Prijs ƒ 22,90.

Op het eerste gezicht is De Spier van Joost Niemöller de roman van een auteur zonder onderwerp. Een seriemoordenaar die in Amerika probeert het raadsel Lee Harvey Oswald op te lossen... het is tè hip. De standwerkerstekst waarmee De Spier wordt gepresenteerd, versterkt die indruk. Een citaat: “De Spier is de eerste Nederlandse roman over een seriemoordenaar. Het onderwerp is steeds meer in de publieke belangstelling komen te staan dankzij een stroom studies, tijdschriftartikelen, TV-reportages en films.”

Gemakshalve wordt vergeten dat ook romans van genoemde stroom deel uitmaken: Bret Easton Ellis' American Psycho, Dennis Coopers Dichterbij en Dirty Weekend van Helen Zahavi. En dat het 'de eerste Nederlandse roman over een seriemoordenaar' is, ach. Dat heeft wat mij betreft net zoveel te betekenen als de eerste Nederlandse roman over een college-assessor die zijn neus kwijtraakt.

Toch laat Joost Niemöller in De Spier, bij alle verwijzingen naar de actualiteit van de week en literaire trends in het buitenland, wel degelijk een eigen geluid horen. Dat zit 'm in de draai die hij aan het motief van de seriemoordenaar heeft gegeven. Hij heeft geen satire willen bedrijven zoals Bret Easton Ellis. Evenmin stoft hij De Sade af, zoals Dennis Cooper. Niemöllers seriemoordenaar Albert, een uit Europa afkomstige journalist, is veel alledaagser.

In De Spier keert de metafoor van het zappen, die in Niemöllers vorige roman Wraak! zo'n belangrijke rol speelde, steeds terug. Albert heeft last van een chronische zap-identiteit: “Hij ziet zijn gezicht in de spiegel. Zoals hij kijkt... Zijn mond... De ogen... Het kan van alles zijn. Het vervormt waar je bij staat.” Hoewel hem dat psychopatische trekjes geeft, maakt het hem ook tot een murw geslagen tv-kijker.

En daar lijkt het Niemöller om te doen: Albert is een doorgedraaide informatieverwerker die het ware gezicht van die informatie probeert te achterhalen. Hoewel Albert in Amerika is om het echte verhaal over Lee Harvey Oswald te ontdekken - 'De dingen die je niet in de krant leest' - wil hij eigenlijk iets heel anders weten: hoe ziet 'de horror' die CNN dagelijks toont er nou echt uit?

Het is dus geen morbide lust die Albert bij zijn moorden drijft, maar nieuwsgierigheid. Hoe ziet sterven eruit? Hoe een verminkt lijk? Hoe voelt het plegen van een moord? Op dit punt wordt ook de geforceerd lijkende link met Lee Harvey Oswald, die voor Albert een soort Ster van Bethlehem is, opeens plausibel. Oswald en Albert zijn verwante zielen; hun identiteit is verloren gegaan in een teveel aan morbide, conflicterende informatie.

De gedachte dat de auteur met een gehuurd onderwerp aan de haal gaat, laat je tijdens het lezen van De Spier niet los. Toch is dat, zoals gezegd, uiteindelijk ondergeschikt. Dat heeft ook te maken met Niemöllers taal, die zo onopgesmukt als mogelijk is. Met korte, bijna kinderlijk eenvoudige zinnetjes schildert hij de gedachtenwereld, de dromen, de visioenen en de nare bezigheden van Albert.

Door die eenvoud bereikt hij dat de horror van Alberts daden in alle kilte bloot komt te liggen - zoals de bedoeling was. Vaak hebben die koele zinnen een humoristisch effect, maar dat vergroot de kilte alleen maar. Ik moest wel lachen om zinnetjes als: 'Het is behoorlijk bergafwaarts gegaan met haar', na een van de slachtpartijen. Het is de wrange humor van A Clockwork Orange: lachen om de alomtegenwoordige horror te verwerken.