De anti-sterren: Ik was Christus

Rik Launspach is een exponent van een generatie acteurs en actrices, die zich even goed thuis voelt op het toneel als in de film. Zij onderscheiden zich door grote betrokkenheid bij de produkties waaraan ze meewerken en lijken het vak ernstiger te benaderen dan de sterren van vroeger. Vandaag de eerste aflevering van een serie portretten van deze 'anti-sterren'.

Rik Launspach is t/m 23 dec. te zien in De Presidentes van Werner Schwab. Trusttheater, Heiligeweg 19, Amsterdam. Inl. 020-6383990.

Pas tijdens de tweede ontmoeting laat hij na ongeveer een uur een pauze vallen. Het antwoord op de vraag welke kwaliteiten hij in eigen ogen bezit, komt aarzelend, in omtrekkende bewegingen. Als mensen beweren, dat hij een 'goed filmhoofd' heeft - ja, daarbij kan hij zich wel iets voorstellen. Neergeslagen ogen, stilte. Dan waagt hij het erop: “Ik vind mezelf geen uitgesproken goed acteur, wel een acteur die nadenkt. Ik weet precies in welk stuk ik sta en waarom. Ik probeer mezelf trouw te blijven, ik heb zelden meegedaan aan produkties waarvoor ik me moest schamen. Geen soaps, geen pulp. En heb ik de keuze eenmaal gemaakt, dan blijf ik erin geloven. Ik geef het gevecht niet snel op.” Weer een stilte. Waarom zegt hij dit allemaal? Het moet maar uit zijn werk blijken.

Rik Launspach (34) is een exponent van een generatie acteurs en actrices, die zich even goed weert op film als op het toneel. Tussen die twee media lijken veel van hen geen definitieve keuze te willen maken. Behalve door hun talent onderscheiden zij zich vooral door de ernst waarmee zij dat talent inzetten. Niets gaat vanzelf, er moet hard gewerkt worden en liefst met verstand. Launspach is een cerebraal acteur, aan zijn vertolkingen is af te zien dat hij niet alleen heeft nagedacht over zijn eigen bijdrage maar ook over de film of voorstelling waarvan hij onderdeel uitmaakt. Daardoor is zijn spel opvallend evenwichtig, dienstbaar en onnadrukkelijk maar toch persoonlijk.

Hoewel Launspach nog niet heel veel voor de filmcamera heeft gestaan, dankt hij zijn bekendheid in bredere kring aan de televisie en de bioscoop. In Frans Weisz' televisieserie Bij nader inzien, gebaseerd op de roman van J.J. Voskuil, speelde hij de rol van de ik-figuur. De serie werd in 1991 door de VPRO uitgezonden. Launspach werd prompt 'de nieuwe Paul Newman' genoemd en gevraagd voor een van de hoofdrollen in Oeroeg, Hans Hylkema's verfilming van de novelle van Hella Haasse, die deze zomer werd uitgebracht. Hij kreeg er een Gouden Kalf voor, maar op een onbewaakt moment kenschetst Launspach zijn beide filmvertolkingen als 'uitstapjes'. Zijn prioriteit ligt vooralsnog bij het toneel en met name bij zijn gezelschap De Trust.

De Trust is de verwezenlijking van een jongensdroom, hij heeft het gezelschap samen met artistiek leider Theu Boermans opgericht. Het slaat aan, acteurs en regisseur Boermans hebben de afgelopen jaren veel prijzen in de wacht gesleept. Het sinds vorig jaar met 1,9 miljoen gulden per jaar structureel gesubsidieerde ensemble legt zich toe op de enscenering van vaak maatschappijkritisch ideeëntheater - 'táálstukken' zegt Launspach - en stelt daar een uitbundige, soms puur groteske speelstijl tegenover. Of Trust-ensceneringen of de stukken die het gezelschap kiest dramaturgisch wel steeds even doortimmerd zijn, lijkt bijna een irrelevante kwestie: het collectieve geloof in hun eigen voorstellingen maakt het optreden van de Trust steeds aanstekelijk.

“We spelen schrijvers als Goetz en Schwab die de taal tot hun onderwerp maken, vaak zonder lineair verhaal. Over de betekenis van hun stukken hebben we duidelijke ideeën - ze gaan over het onvermogen te communiceren, over de neiging tot geweld die steeds door het laagje beschaving heenbreekt - en we kunnen daarover eindeloos rationaliseren maar als we aan het werk gaan...is er alleen nog maar liefde voor de personages. En voor het spelen.”

Witte pij

Terughoudend en naar eigen zeggen enigszins beschaamd, vertelt hij dat zijn 'radicale bekering tot het toneel' terug te voeren is op één moment. Als zestienjarige vervulde hij de titelrol in een schooltoneeluitvoering van de film Jesus Christ Superstar. “Ik stond daar in mijn witte pij, in het centrum van de spotlights en de belangstelling. Iedereen vond me prachtig - en dat vond ik volstrekt terecht. Ik ondervond de oerwerking tussen een publiek en iemand op het toneel. Ja, inderdaad: ik speelde Christus niet alleen, ik wás hem ook. Dat gevoel bestond, achteraf bezien, natuurlijk grotendeels uit behoefte aan aandacht en uit ijdelheid. De behoefte iets mede te delen, een bijdrage te leveren aan een betere maatschappij is daarvoor, als dat niet al te hoogdravend klinkt, in de plaats gekomen.”

Afgewezen

Hij wist door zijn Christusrol in elk geval één ding zeker: 'Dit wilde ik'. Launspach meldde zich in 1977 aan bij de Amsterdamse Toneelschool. Hij werd afgewezen. Terecht, zegt hij nu. “Ik had een veel te stellig idee over hoe een acteur zijn moest. Dat is niet de juiste houding, sterker, het is volkomen onvruchtbaar. Ik was niet ontvankelijk, mij kon alleen nog maar veel afgeleerd worden in plaats van aangeleerd.”

Voordat hij in 1981 opnieuw auditeerde en werd aangenomen, stortte hij zich 'op het vak'. Hij nam 'de hele Stanislavski' door en legde op basis daarvan een map aan waarin hij, op onderwerp gerangschikt, moeiteloos op kon zoeken hoe hij acteerproblemen te lijf moest gaan. Op de programma's van de talloze toneelvoorstellingen die hij zag, maakte hij aantekeningen over wat er naar zijn inzicht mis was en ook die bracht hij onder in een archief. Hij liep regiestages bij Centrum van Peter Oosthoek en het Publiekstheater van Hans Croiset, volgde danslessen bij Helen Leclerc, zanglessen bij een operarepetitor en acteerlessen bij Fien Berghegge. Die deed hem 'een gouden tip' aan de hand: “Acteurs moeten kunnen nadenken.” Dat had hij van Stanislavski niet begrepen.

Tot 1985 zat hij 'dank zij een studiebeurs in het Walhalla'. “Het viel niet tegen, wat toch gemakkelijk gekund had, gezien mijn vurige wens om op de Toneelschool te komen.” De helden van Launspach waren de acteurs van het Werkteater. En intussen bemoeide hij zich volop met onderwijs-organisatorische problemen - wat hij, inmiddels docent aan dezelfde opleiding, nog steeds doet.

“Tijdens mijn stage bij Het Publiekstheater had ik tot mijn afgrijzen geconstateerd dat acteurs niet anders deden dan hun eigen nummertje afdraaien. Ik geloofde toen al en geloof nog altijd in collectiviteit. Niet in het repetitielokaal - anders dan vroeger bij het Werkteater hakt bij ons een regisseur de knopen door - maar voor het overige is iedereen mede-verantwoordelijk. Die collectiviteitsgedachte van ons is niet doctrinair, romantisch of ideologisch, maar gewoon praktisch. Onze methode vergt veel tijd maar de winst is, dat je steeds weet waarom je een ensemble bent, theater maakt, dt theater maakt en waarom je, bij voorbeeld, beslissingen over het decor uit moet stellen tot vlak voor de première om vervolgens nachtenlang door te werken om het toch nog voor elkaar te krijgen.”

Acteursintelligentie

De Trust vloeide voort uit De Zaak, een toneelgroepje dat Launspach met drie geestverwanten oprichtte, in 1985 en dat drie jaar later weer werd opgeheven. Uitgangspunt was om, in reactie op het alom heersende 'regisseurstoneel', 'onze acteursintelligentie los te laten op het wereldrepertoire'. Ze speelden met redelijk tot groot succes Wedekind, Euripides, Shakespeare, Gombrowicz en versleten regisseurs bij de vleet.

Bij De Trust nam Launspach de zakelijke leiding op zich en speelde af en toe mee, maar na twee jaar verzochten de inmiddels acht vaste acteurs hem te kiezen tussen beide activiteiten. “Wij vinden dat er ruimte moet zijn voor persoonlijke ambities, maar die moeten de groep wel ten goede komen. Daarom heb ik het filmwerk mogen doen, maar nu is het de beurt aan de anderen voor dergelijke uitstapjes. Omdat Boermans films wil gaan maken, hebben we Trustmedia opgericht. We moeten samen filmgeschiedenis gaan schrijven zoals we dat ook in het theater proberen.”

Een toneelacteur die een filmrol speelt is volgens Launspach vergelijkbaar met een bakker die een biefstuk bakt. “Het grootste verschil tussen film en toneel ligt wat mij betreft in het engagement. Een voorstelling van De Trust kan ik in het café voor de volle honderd procent verdedigen omdat ik er mede-verantwoordelijk voor ben geweest. Toneel, ons toneel is het resultaat van een vaak wanhopige zoektocht en die maakt je immuun voor kritiek. Bij film ben je slechts een schakeltje, alleen al door de montage heb je nergens vat op. Er is geen consensus over het artistieke niveau.

“Ik heb me tevoren behoorlijk met het script van Oeroeg bemoeid. De film had veel subjectiever gemoeten, niet al die voors en tegens. In het café hoor ik mezelf dan zeggen: ja, mijn smaak is het ook niet. Ik heb er een hekel aan als ik iets waaraan ik meewerk onvoldoende kan verdedigen, vooral ook omdat je exposure op film vele malen groter is dan op toneel. Je krijgt lof over je mooie ogen, oppervlakkige complimenten, waar je toch niet ongevoelig voor bent. Dat is gevaarlijk terrein.

“Ik heb geleerd af te wachten wat zich aandient. Rust - niet te verwarren met gemakzucht - is daarbij van groot belang. Het helpt me echt samen te spelen, ik heb de neiging te gaan soleren. Ik ben er blij om dat ik op film kennelijk een présence heb, maar trots kan ik daar niet op zijn. Het maakt hooguit mijn onzekerheid iets minder groot. Want ik heb steeds het gevoel, dat ik op een kwaaie dag door de mand ga vallen. Al die tijd de boel belazerd en eindelijk blijkt dat. Het moment waarop ik het toch niet kan trekken en waarmaken - die angst daarvoor.”