Zieke sopraan Deborah Riedel geneest tijdens voorstelling; Een Traviata met veel problemen

Voorstelling: La Traviata van G. Verdi door de Nederlandse Opera en het Ned. Philharmonisch Orkest o.l.v. Graeme Jenkins m.m.v. o.a. Deborah Riedel, David Kuebler, Luis Girón May, Miranda van Kralingen, Hebe Dijkstra, Pieter van den Berg en Lieuwe Visser. Decor: Bernhard Kleber; kostuums: Joachim Herzorg; regie: Alfred Kirchner. Gezien: 1/12 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen: 4, 7, 10, 13, 16, 19, 22, 25, 27, 30/12 (alle uitverkocht). TV-uitz.: 26/12 15.50 uur NOS Ned 3.

Amsterdam was erg toe aan een nieuwe produktie van Verdi's La Traviata. In de garderobe van het Muziektheater werd gisteravond door het personeel al voor de première het drinklied Libiamo aangeheven en binnenkomende operabezoekers zongen mee. De laatste Traviata van de Nederlandse Opera - met Roberta Alexander in de hoofdrol - werd tien jaar geleden gegeven in de Amsterdamse Stadsschouwburg. De produktie van Tito Capobianco - met oorspronkelijk Sonja Poot als Violetta en Edo de Waart als dirigent - dateerde al van 1974.

Toen gisteravond het publiek, tien minuten na het tijdstip waarop de voorstelling had moeten beginnen, via de geluidsinstallatie werd verwelkomd, golfde de ontzetting al door de zaal. En inderdaad werd aangekondigd dat Deborah Riedel, die Violetta zou zingen, plotseling griep had opgedaan, maar toch zou optreden. Naast de teleurstelling zijn er ook onmiddellijk grappen: in de opera is Violetta immers ook ziek, ze kucht voortduerend en sterft aan de tering.

Het was voor Riedel haar debuut als Traviata - een beladen rol voor een sopraan uit Australië, dat eerder in Nellie Melba en Joan Sutherland wereldberoemde Traviata-vertolksters leverde. In de eerste acte ging het zingen redelijk, al zong de nogal vibrerende Riedel in È strano niet echt uit en waren daarin nogal wat harde kantjes te horen. De hoge noot die ze ondanks alles aan het slot van Sempre libera inzette, brak helaas bijna onmiddellijk af.

In de tweede acte ging alles beter en klonk een onwerkelijk en etherisch Dite alla giovine. In de derde acte met de sterfscène was men eigenlijk al vergeten dat Deborah Riedel zelf zich niet goed voelde. Na afloop werd de sopraan uiteraard luid toegejuicht en deze gang van zaken was daarmee klassiek. Vanmorgen leek Riedel beter en de Opera verwacht dat ze de volgende voorstellingen gewoon kan zingen.

De nieuwe produktie van Traviata leek tevoren ook in ander opzicht een klassieke voorstelling te worden. Regisseur Alfred Kirchner, de man van de succesvolle Amsterdamse Don Giovanni die volgend jaar in Bayreuth een nieuwe produktie van Der Ring des Nibelungen enscèneert, had tevoren in het programmablad Odeon zijn ideeën uiteengezet. Hij wilde géén actualisering, géén tot het uiterste doorgevoerde abstractie, géén van boven opgelegd concept. Het enige dat echt van belang zou zijn, waren de acteerprestaties, de geloofwaardige uitbeelding van rollen. Het leek alsof hier een definitieve breuk werd aangekondigd met het door een deel van het publiek verfoeide artistieke beleid van de Nederlandse Opera.

Wat we zagen was evenwel: gedeeltelijke actualisering, deels ver doorgevoerde abstractie, een onbegrijpelijk concept. Bal- en balletscènes werden vrijwel statisch verbeeld. En wat we niet zagen waren levensechte personages.

Deze Traviata, die op Tweede Kerstdag door de NOS-tv wordt uitgezonden, leek nu al in het theater een afstandelijke tv-voorstelling. De scène is gevat in een lijst zoals die in de jaren vijftig om het tv-beeldscherm zat. In die theater-tv ziet men in de eerste acte vervolgens een decor uit de jaren dertig of veertig van deze eeuw. In die art deco-ruimte , een soort brasserie in een Parijse winkelgalerij, speelt zich een feest af met kostuums uit de tijd van Traviata: 1850. In de tweede acte vliegt een zeppelin voorbij. In de derde acte is het sterfkamertje van Violetta een volkomen rechtoe-rechtaan kaal kamertje. Het is vlak en leeg op één tafeltje en één stoel na. Het ziekbed ontbreekt en daarmee ook het sterfbed, de stoel zal een sterfstoel moeten worden. Is dat niet allemaal een soort van actualisering en abstrahering?

Erger is het gebrek aan consistentie in de opeenvolging van toneelbeelden. In de buitenscène in de tweede acte komen plots drie schilderijlijsten het podium op. Ze bieden uitzicht op een trap, een boudoir en een ijsberg. Zo gauw in de handeling een moment van concentratie is bereikt, schuiven ze een eindje op en verstoren daarmee de voorstelling. Aan het slot is er nog iets conceptueels: het sterfkamertje van Violetta valt uiteen en blijkt te staan in een soortgelijke grotere kamer.

Van geloofwaardig geacteerde uitbeelding van de personages in hun noodlottige onderlinge relaties is nauwelijks sprake. De Amerikaanse tenor David Kuebler, in de rol van Violetta's minnaar Alfredo Germont, is vocaal en visueel een oninteressante bleke slapjanus, met wie men op geen enkel moment werkelijk kan meevoelen: niet in zijn ontluikende liefde voor Violetta, niet in zijn vreugde daarover in een verre van onstuimig gezongen Deh miei bollenti spiriti, niet in zijn jaloezie tijdens de kaartscène, niet in zijn wanhoop als Violetta sterft. Zijn stem is te beperkt, zijn zingen ontbeert lyriek, glans en passie.

Nog erger is het met bariton Luis Giron May als zijn vader Giorgio Germont. Alsof er absoluut niet is gerepeteerd, personifieert hij alleen het meest clichématige beeld van die rol: een gevoelloze man, wiens woorden slechts woorden zijn. De dramatische confrontatie met Violetta, die hij dwingt om haar liefde voor Alfredo op te geven, is hier slechts een schim van wat die scène aan aangrijpends kan opleveren. En een schitterende aria als Di provenza e di mar kan hij eigenlijk gewoon niet zingen zoals dat behoort.

Zo bleef alleen de geleidelijk aan toenemende opluchting over het zingen van Deborah Riedel als pluspunt over van deze voorstelling die aan alle kanten uit elkaar valt. Want ook de begeleiding door dirigent Graeme Jenkins was niet op het voor dit repertoire vereiste niveau. Dat lag zeker niet aan het Nederlands Philharmonisch Orkest, wel aan het gebrek aan raffinement bij Jenkins, die primitief geobsedeerd leek door de Verdiaanse ritmiek. Zo hoorden we een Addio del passato dat werd overheerst door orkestraal poem-poem-poem.

Het publiek was na afloop jubelend, uiteraard voor Deborah Riedel, maar ook voor de andere zangers, onder wie veel landgenoten in de kleine rolletjes. Alleen Alfred Kirchner kreeg wat boegeroep, maar dat mocht geen naam hebben. Amsterdam was inderdaad al heel lang toe aan een nieuwe Traviata van werkelijk belang. Het publieke onderscheidingsvermogen op dit gebied is ondertussen flink gezakt. Toch is het wachten nog steeds op een ècht goede Traviata.