Op 45 meter met driehonderd man; Overleven aan boord

Mens aan boord, op zee in de 17de en 18de eeuw, Maritiem Museum Prins Hendrik, Rotterdam di t/m za 10-17u, zo en feestdag 11-17u, 1 jan en 30 april gesloten.

'Wilt U voor vreemde vrouwen sparen.

Neemt oock op Uw drinken acht.

En verschoont U kleeren sacht.

Suyver zijn verlenght de jaren.Dergelijke rijmpjes met stichtelijke inhoud werden geschreven in de tijd van de VOC-schepen in de - waarschijnlijk ijdele - hoop dat zeevarenden ze ter harte zouden nemen. Het versje is nu te lezen op de tentoonstelling Mens aan Boord, op zee in de 17de en 18de eeuw in het Maritiem Museum in Rotterdam. Deze nieuwe expositie is semi-permanent en duurt tot midden 1996. Bezoekers kunnen er een indruk op doen van het leven aan boord van de schepen van de Verenigde Oostindische Compagnie en de Westindische Compagnie. Met gebruiksvoorwerpen, zeekaarten, tekeningen, scheepsdocumenten en videopresentaties wordt het zeemansleven aanschouwelijk gemaakt. Ook Michiel Adriaensz. de Ruyter, de overwintering op Nova Zembla en de avonturen van de scheepsjongens van Bontekoe komen aan bod.

Conservator Elly Bos stelde samen met tentoonstellingseducator Ineke van Klinken de expositie samen rondom een aantal thema's. “De laatste jaren is door scheepsarcheologisch onderzoek de kennis over het leven op deze schepen sterk toegenomen, onder andere door vondsten uit scheepswrakken. We krijgen ook geregeld vragen over dit onderwerp van het publiek”, zegt Elly Bos. “We zijn bij de opstelling uitgegaan van de voorwerpen die we hadden. Die laten we een verhaal vertellen.” Voor scholieren is een lesbrief uitgebracht.

Het meeste materiaal komt uit de depots en de bibliotheek van het museum. Een van de pronkstukken is het titelblad van 'Spieghel der Zeevaerdt' (1584/85), de eerste gedrukte zeeatlas ter wereld. Op dit kleurig geïllustreerde blad staan de instrumenten afgebeeld die zeelieden in die tijd bij het navigeren gebruikten. Het Stedelijk Museum in Vlissingen heeft enkele bruiklenen afgestaan uit het wrak van de oostindiëvaarder 't Vliegent Hart die in 1735 voor de kust van Walcheren verging en in 1981 werd ontdekt. Het zijn gebruiksvoorwerpen zoals een ivoren luizenkam, een brandewijnkom en een zandstrooier die werd gebruikt om inkt te drogen.

Een serie gravures laat de gevaren zien waaraan zeevarenden op hun lange reizen werden blootgesteld. Oorlog, storm, brand, schipbreuk, piraterij, ziekte - het was bijna een wonder als men het er levend vanaf bracht. De omstandigheden aan boord waren erbarmelijk. Ratten en luizen waren veel geziene gasten, ziekten grepen gemakkelijk om zich heen, omdat men met honderden mensen in een betrekkelijk kleine ruimte zat onder gebrekkige hygiënische omstandigheden. Een 18de-eeuws VOC-schip van ongeveer 45 meter lang had een bemanning van gemiddeld 300 man, waarvan een derde soldaten. Op de expositie geven doorsneden en modellen van schepen een duidelijk beeld van de indeling. Door het indrukken van knoppen kan de bezoeker de verschillende ruimten in het schip doen oplichten, tot aan de pisbak toe, 'benaemt na de gelijkheit van dien bak welke boven op de overloop staat, waer in de maets hun water loozen'.

Veel plaats werd ingenomen door de lading. Alleen de kapitein en officieren beschikten over eigen hutten, het lagere scheepsvolk moest ergens op de dekken een slaapplaats zien te bemachtigen. Een ziekenboeg was er niet, in noodgevallen werd een stuk dek afgezet. De chirurgijn moest in een donker hoekje operaties verrichten met instrumenten die er voor hedendaagse begrippen uitzien als martelwerktuigen. De grove zaag voor amputaties, die op de tentoonstelling ligt, lijkt eerder geschikt om een boom te vellen.

Het water was een bron van ziekten. Schepen bleven soms maanden onderweg zonder verversingsplaatsen aan te doen. Men probeerde de kwaliteit op peil te houden door het water steeds in andere reservoirs over te pompen, er een gloeiend stuk ijzer in te dompelen, of met limoensap te vermengen. Maar helpen deed het niet echt: zeelieden moesten bij het drinken hun tanden op elkaar houden om de wormen niet in te slikken.

Toch had men, zo laat de expositie zien, al vroeg een oplossing voor het waterprobleem gevonden, namelijk het destilleren van zeewater. Elly Bos: “Omstreeks 1690 werden destilleerketels aan boord van de schepen geïnstalleerd, maar in 1707 werden ze weer afgeschaft, omdat men ze te duur vond. Het was ook al vroeg in de 17de eeuw bekend dat men door het eten van verse groenten en fruit scheurbuik kon voorkomen. Onbegrijpelijk dat ze niet meer deden met die kennis”.

Aan boord golden strenge regels. In het scheepsreglement stond een serie wandaden opgesomd waarvoor men gestraft kon worden, zoals lachen en praten tijdens het gebed, vloeken, verspillen van water of bier, dronkenschap, dobbelen, vechten, of het brengen van 'eenige vrouws persoonen t'scheep'.

Interessant en gruwelijk is het verslag over het admiraalsschip Venus waarop in 1779 voor de rede van Texel muiterij uitbrak. De opstand werd onderdrukt, de muiters bestraft. In 'eene ampele Beschrijvinge van de Executie den 20 en 21 october 1779' schetst een ooggetuige tot in detail hoe een van de boosdoeners wordt gekielhaald - in een harnas van lood, verzwaard met dieplood en kogels en met touwen omwonden. 'Zyne Ooren wirden met Catoen in Oly gedoopt gestopt, voor zijn mond en Oogen wierd een Spons gebonden'. Zo ingepakt werd de bestrafte, tot drie maal toe, vanuit een sloep naar de diepte getrokken, onder het schip door. Gelukkig meldt het verslag ook dat de delinquent de behandeling overleefde, zij het dat hij na afloop 'bitter ontstelt' was.