Kwetsbare economieën van Antillen en Aruba groeien fors

WILLEMSTAD/ORANJESTAD, 2 DEC. De economie op de Nederlandse Antillen en Aruba is de laatste jaren met 2,5 tot 4,5 procent gegroeid, cijfers die Nederland en veel andere industrielanden met enige afgunst zullen bezien. Vorig jaar was de reële groei in beide rijksdelen bijna 4 procent.

Ook de werkgelegenheid verbeterde aanzienlijk. Op Aruba is zelfs sprake van een tekort aan arbeidskrachten en op Curaçao, met 150.000 inwoners het grootste eiland van de Antillen, is de werkloosheid gehalveerd, van 28 procent in 1991 tot 14 procent in 1992.

Gedeputeerde van financiën van Curaçao, mr. Stanley Betrian, kijkt gematigd optimistisch naar de toekomst: “Financieel gaat het ons veel minder goed, want de sectoren die onze deviezen genereren hebben dit jaar forse klappen gehad. Het toerisme is minder toegenomen, onze dokmaatschappij (scheepsreparatie) en de financiële offshore (de geldstroom van buitenlandse bedrijven die gebruik maken van het milde belastingklimaat) zijn achteruitgegaan en met de overheidsfinanciën gaat het niet best. We werken nu hard aan sanering. Voor 1994 werd eind vorig jaar nog een begrotingstekort geraamd van 130 miljoen gulden, maar op het ogenblik schat ik dat het niet meer wordt dan 60 à 70 miljoen. Het kan nog lager uitpakken.”

De Antillen hebben geen reserves gevormd voor economisch zwaar weer, zegt Betrian, en “er is veel te weinig aandacht geweest voor de kwaliteit van het leven. Een groot deel van onze mensen kan niet profiteren van de welvaart. Dat uit zich in hoge jeugdwerkloosheid en stijgende criminaliteit. Ons onderwijs heeft een te laag peil. Met het 'Nieuw beleid' van dit Bestuurscollege trachten we daar snel verandering in aan te brengen.”

In vergelijking met de Antillen leeft Aruba op te grote voet. In minder dan één jaar tijd werd een overschot op de overheidsbegroting van 30 miljoen gulden omgezet in een bijna onbeheersbaar tekort van 140 miljoen, maar de bevolking merkt dat nog nauwelijks. Er wordt druk gebouwd en behalve voor de Arubanen is er volop werk voor een stroom vreemdelingen. Sinds 1985, toen de grote Lago-raffinaderij van Exxon sloot en het eiland in één klap met een werkloosheid van 35 procent werd geconfronteerd, heeft Aruba een onstuimige groei van het toerisme doorgemaakt. Hotels werden in een hoog tempo uit de grond gestampt en het aantal hotelkamers nam toe tot 6.500.

Het resultaat is een kwetsbare economie, die sterk afhankelijk is van de conjunctuur in de Verenigde Staten, waar 85 procent van de toeristen vandaan komen, en van West-Europa en Zuid-Amerika. Niettemin trekt het toerisme na de Golfcrisis weer aan en zorgt de gemiddelde hotelbezetting van ruim 70 procent voor redelijk winstgevende positie van de sector.

Aruba moet nu fors investeren in verbetering van de infrastructuur: de luchthaven is te klein, het wegennet te krap, er heerst een schrijnend tekort aan woningen en scholen en de water- en elektriciteitsvoorziening kan niet aan de stijgende vraag voldoen. De Arubaanse bevolking is rijker dan die op de Antillen. Het gemiddeld inkomen behoort met bijna 30.000 gulden per hoofd tot het hoogste in de Caraïbische regio. De toeristen brengen zoveel in het laatje van de particuliere sector en de overheid dat de Centrale Bank zich zorgen maakt over de gelhoeveelheid en de banken kredietrestricties heeft opgelegd. Die moeten de inflatie binnen de perken houden en voorkomen dat deviezen wegvloeien. Een ruime kredietverlening leidt alleen maar tot meer consumptieve uitgaven voor importgoederen, want alles moet hier worden ingevoerd, zegt bankpresident drs. A. Iruasquin.

Begin dit jaar waarschuwde Irausquin de overheid dat haar uitgaven gierend uit de hand liepen. Vorige maand dwong hij de regering tot ingrijpende bezuinigingen, door de uitgifte van twee obligatieleningen van de overheid aan strenge voorwaarden te koppelen. Nederland probeert druk uit te oefenen op de twee grootste politieke partijen op Aruba die elkaar nu nog bestrijden, om een brede coalitie in het parlement te vormen die het nieuwe hervormingsbeleid moet schragen. Drastische verbetering van de overheidsadministratie en de kwaliteit van het bestuur staan hoog op het prioriteitenlijstje van de regering. Zeker duizend ambtenaren moeten naar de private sector worden overgeheveld en privatisering van overheidsdiensten moet geld opleveren voor infrastructurele projecten.

Alle politieke partijen en maatschappelijke groeperingen op het eiland willen bovendien streven naar meer diversificatie van de economie, die nu voor het grootste deel afhankelijk is van het toerisme, een sterke handelssector en de kleine raffinaderij van het Amerikaanse olieconcern Coastal, dat een deel van de installaties van Exxon heeft opgeknapt en nu 150.000 vaten olie per dag verwerkt. Trots meldt minister-president Nelson Oduber dat Coastal net heeft beslist tot een investering van 250 miljoen dollar in modernisering en uitbreiding van de raffinaderij, waardoor de capaciteit wordt uitgebreid tot 180.000 vaten olie per dag en meer schone, milieuvriendelijke brandstoffen voor de Amerikaanse markt worden geproduceerd.

De Antilliaanse economie kent meer pijlers dan de Arubaanse: een belangrijke sector financiële dienstverlening, een toeristische sector die vooral op Curaçao en Sint Maarten een forse bijdrage aan het nationaal inkomen levert, een raffinaderij en het grootste scheepsreparatiebedrijf in de Caraïbische regio: de Curaçaose Dokmaatschappij (CDM). Ondanks die grotere diversificatie zijn de Antillen echter kwetsbaar. De inkomsten uit de 'financiële offshore' zijn sinds 1985 gestaag achteruitgegaan en de sector zucht nu onder strengere regels voor belastingparadijzen die door de Verenigde Staten en Nederland worden opgelegd. Ook Aruba heeft daar last van. Advocaat mr. Roy Brown in Oranjestad, die de Arubaanse trustkantoren en notarissen adviseert, verwijt Nederland “arrogantie” omdat de rijksdelen geheel buiten het overleg over het belastingverdrag met de Verenigde Staten zijn gehouden. “Terwijl Nederland een van de belangrijkste belastingparadijzen ter wereld is, worden onze belangen opgeofferd aan de Nederlands-Amerikaanse verhoudingen.”

Curaçao levert veruit de grootste bijdrage aan de Antilliaanse economie. Van de overige vier eilanden kan alleen Sint Maarten zichzelf op den duur financieel bedruipen door zijn sterke toeristische sector.

Twee van de vier pijlers onder de Antilliaanse economie, de raffinaderij Isla en de Curaçaose Dok Maatschappij, maken een moeilijke periode door. Isla, een van de grootste werkgevers op het eiland, wordt door de Venezolaanse staatsoliemaatschappij gehuurd en verwerkt ruwe olie uit dat land. Eind volgend jaar loopt het contract af. De onderhandelingen over een verlenging worden bemoeilijkt door de noodzaak van een investering van honderden miljoenen guldens om de raffinaderij te moderniseren en milieuvriendelijker te maken. Curaçao kan die kosten niet zelfstandig dragen en Venezuela staat niet te trappelen om grote bedragen in Isla te stoppen, want het land beschikt zelf over veel modernere olie-installaties. Nederland staat de Curaçaose overheid terzijde met technische adviezen, maar financiële hulp van enige omvang voor Isla ligt niet voor de hand omdat de ontwikkelingshulp niet bestemd is voor puur commerciële projecten.

De Curaçaose dokmaatschappij (CDM) was in de jaren '70 nog eigendom van de Nederlandse bedrijven RSV, Nederhorst en Wilton Fijenoord. Nadat de recessie van de jaren '70 op Curaçao had toegeslagen, werd de werf verliesgevend en deden deze ondernemingen de dokmaatschappij in 1983 voor het symbolische bedrag van één gulden van de hand aan het eilandbestuur en de landsregering, die de eigendom voor respectievelijk 70 en 30 procent overnamen. CDM had toen nog 1.200 man in vaste dienst, zegt directeur Mario Evertsz. “Een eerste inkrimping bracht dat aantal terug tot 1000 man, en tussen 1983 en 1986 gingen we via natuurlijk verloop terug naar 500 man.” Vanaf 1988 maakte CDM weer winst, de laatste vier jaar waren er zelfs volop orders, al gingen de reparatietarieven omlaag van 60 dollar per manuur in 1981 tot 25 dollar nu.

Omdat de recessie dit jaar voor een zeer lage orderportefeuille in de scheepsreparatie zorgt, was een verdere sanering en privatisering nodig. CDM heeft nu geen vaste werknemers meer in dienst, maar betrekt haar personeel op afroep en via tijdelijke contracten uit een arbeidspool. De vakbonden op Curaçao spreken van een “slachting” van de werkgelegenheid, maar volgens Evertsz was de ingreep hard nodig om de werf concurrerend te houden. Dit jaar zal CDM geen winst boeken, omdat de werf op ongeveer de helft van haar capaciteit werkt. Maar de overneming van een reparatiewerf in Cuba is volgens Evertsz lucratief. Ook deze werf is door CDM gesaneerd en heeft nu een goede bezetting. Evertsz verwacht ook voor zijn bedrijf op Curaçao een aanzienlijke verbetering nu de economie in de Verenigde Staten weer opleeft. “Veel reders hebben door geldgebrek hun scheepsreparaties uitgesteld, maar die orders moeten toch eens weer loskomen.”