'Het Landbouwschap heeft zijn langste tijd gehad'

WAGENINGEN, 2 DEC. De voormannen van de landbouw hebben hun remmende invloed op het mestbeleid moeten bezuren. “Ze bevinden zich nu in een tragische positie tussen behartiger van de boerenbelangen en de medeverantwoordelijkheid die ze via het Landbouwschap hebben voor het overheidsbeleid.”

Dat stelt de aan de Landbouwuniversiteit van Wageningen verbonden socioloog ir. Jaap Frouws vast in het rapport Mest en Macht, waarop hij begin volgend jaar hoopt te promoveren. Frouws meent dat het Landbouwschap dan ook zijn langste tijd heeft gehad als de uitgesproken vertegenwoordiging van de boerenbelangen. “Stop met de gedwongen winkelnering, laat de belangenbehartiging over aan de sectoren zelf”, aldus Frouws in een toelichting op zijn onderzoek.

Frouws, die in zijn vrije tijd adviseur is van de kring Nijmegen van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB), velt een hard oordeel over de opstelling van de landbouwvoormannen in de totstandkoming van de mestwetgeving. Maar hij heeft ook geen goed woord over voor het optreden in het verleden van het departement van Landbouw. “Beiden hebben lange tijd een daadwerkelijke wetgeving tegengehouden”. Frouws haalt de woorden aan van een hoge ambtenaar van Milieubeheer over de invoering van een mestboekhouding: “Die zaak werd met opzet niet waterdicht gemaakt, voortdurend werd geprobeerd werkelijke controle af te houden”. Frouws noteert óók dat de aanloopfase van op milieuwetgeving gerichte mestregelgeving ruim vijftien jaar heeft geduurd. “Was men minder trainerend geweest dan was de wetgeving die nu op de boeren afkomt veel minder pijnlijk geweest, want dan hadden ze hun maatregelen over een veel langere periode kunnen uitstrekken. Dan hadden we minder dieren en minder grote mestoverschotten gehad. Vooral de voormannen hebben te lang een defensieve houding ingenomen. De omslag naar een offensief beleid is te laat en te aarzelend gemaakt”, aldus Frouws.

Zijn onderzoek is een interessante röntgenfoto van het Groene Front of wel de ijzeren driehoek van het departement van landbouw, het georganiseerde landbouwbedrijfsleven en de vaste Kamercommissie voor landbouw. Een front dat volgens Frouws in het jongste verleden vooral gekennmerkt werd door neo-corporatisme. “Voor wat hoorde wat. Er was sprake van een ruil tussen het ministerie van Landbouw en het landbouwbedrijfsleven”, aldus Frouws in een toelichting.

Al in de jaren zeventig werd in kringen van het ministerie gewaarschuwd dat het mestprobleem uit de hand ging lopen. Maar noch naar de alarmerende geluiden van onderzoeksambtenaar Henkens van het departement van Landbouw noch naar die van directeur Golterman van het Limnologisch Instituut (wateronderzoek) werd geluisterd. Frouws in zijn onderzoek: “Golterman had het heel moeilijk met het gegeven dat bepaalde alarmerende cijfers over de mestoverschotten door toedoen van een ambtenaar van het ministerie van Landbouw en Visserij uit het eindrapport werden geweerd. Uit deze voorgeschiedenis”, aldus Frouws, “blijkt dat de waarschuwende signalen uit de wereld van het landbouwkundig onderzoek werden geneutraliseerd door het departement van Landbouw. Daardoor werd de ontwikkeling van kennis over de omvang en de mogelijke aanpak van de mestoverschotten belemmerd en werd de samenleving informatie onthouden over een dreigend maatschappelijk probleem”.

In zijn onderzoek besteedt Frouws veel aandacht aan de opstelling van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond - hij had vrije toegang tot de archieven - en aan de rol van de voorman van deze 26.000 leden tellende organisatie, ir. A. Latijnhouwers. Hij beschrijft hoe Latijnhouwers in 1983 door minister Braks werd aangezocht als voorzitter van de commissie Mestproblematiek maar zich terugtrok toen er met Landbouw geen overeenstemming kon worden bereikt over de het bedrijfsleven welgevallige fosfaatnormen. “Die terugtrekking was in de eerste plaats symbolisch. Het was de uiting van de defensieve strategie van de georganiseerde landbouw tegen het mestbeleid dat de overheid trachtte te realiseren. In dit opzicht begon de gebruikelijke coöperatie plaats te maken voor confrontatie met de overheid. Die werd van partner obstakel”, zo stelt Frouws in Mest en macht vast.

Hij staat lang stil bij de provinciale mestwetgeving in Noord-Brabant, waar het mestoverschot het grootst is. Ook daar bleek volgens Frouws dat de overheid naar de pijpen danste van de landbouw. “De provincie zag er op voorhand vanaf een poging te wagen de omvang van de mestproduktie terug te dringen en overwoog evenmin een eigen beleid te voeren omdat de medewerking van het landbouwbedrijfsleven als onontbeerlijk werd beschouwd.(-) Zelfs de regionale inspectie voor de milieuhygiëne voegde zich naar deze onzichtbare invloed door transport van onverwerkte drijfmest te presenteren als enige resterende mogelijkheid om de Brabantse mestoverschotten weg te werken”, zo stelt Frouws vast.

Als later in de jaren tachtig de invloed van de Tweede Kamer maar ook van het departement van Milieubeheer op het landbouwbeleid en dus ook het mestbeleid steeds sterker wordt, begint het Groene Front te kraken in zijn voegen en komen boeren in opstand tegen hun eigen voormannen of zoals Frouws zegt “ontstaan er rukwinden onder de groene paraplu”. De autonomie van de voormannen werd minder vanzelfsprekend, akkerbouwers en later in Brabant veehouders begonnen zich in actiecomités te roeren. “Het feit”, aldus Frouws, “dat de landbouwvertegenwoordigers naarmate de ontwikkeling van het mestbeleid vorderde de facto een grotere verantwoordelijkheid accepteerden voor andere dan de traditionele produktie- en inkomensgerichte belangen, verklaart mede dat de aanvaarding door de achterban van de onderhandelingsresultaten en van de akkoorden met de overheid op moeilijkheden stuitten. Het mestbeleid is als het ware het breekijzer geweest waarmee de representanten van de andere belangen, in casu die van de milieu- en natuurbescherming, de interne gerichtheid van het landbouwpolitieke circuit hebben doorbroken”, aldus Frouws in Mest en Macht.

Frouws zegt ten slotte dat het hoog tijd wordt om “spijkers met koppen te slaan”. Anders, zo voorziet hij, zal de overheid echt overgaan tot wat de landbouw al lange tijd als een zwaard van Damocles boven het hoofd hangt: inkrimping van de veestapel.