Gebarentaal is bijzonder - maar ook weer niet zo iets heel bijzonders

De hersenen gebruiken even gemakkelijk geluid als gebaren als basis voor taal. Oliver Sacks ziet hierin de onbeperkte elasticiteit van het zenuwstelsel. David Perlmutter meent dat het een aanpassing van ondergeschikt belang is.

Oliver Sacks: Stemmen zien: Reis naar de wereld van de doven, Meulenhoff Amsterdam, 1989.

David Perlmutter: The language of the deaf, New York Review of Books, 28 maart 1991.

Kunnen hersenen alles als taal accepteren? De neuroloog Oliver Sacks denkt van wel. Sacks heeft zijn standpunt uiteen gezet in zijn boek Stemmen zien: reis naar de wereld van de doven. Hij beschrijft hoe een nieuwe wereld voor hem openging door het contact met gebarentaal. Tot zijn grote verrassing zijn doven geen veredelde pantomimekunstenaars. Zij beschikken over een volwaardige taal, die even geschikt is voor filosofische bespiegelingen, banale grappen en woordspelingen als haar gesproken tegenhanger.

Gebarentaal is volgens Sacks uniek door het linguïstisch 'gebruik van ruimte'. Gebarentaal gaat het bevattingsvermogen van het normale oog te boven. Mensen die er niet van jongs af mee zijn opgegroeid zijn niet in staat het ingewikkelde ruimtelijk patroon te zien, laat staan te begrijpen, aldus Sacks. Hij speculeert zelfs dat dit onmogelijk is voor normale, onaangepaste hersenen.

De theoretisch linguïst David Perlmutter meent echter dat Sacks zich teveel door zijn verwondering heeft laten leiden. Achter alle oppervlakkige verschillen tussen de twee taalvormen liggen vele overeenkomsten. Perlmutter geeft dan ook een veel eenvoudiger verklaring voor het onvermogen van buitenstaanders om gebarentaal te volgen. Zij hebben geen andere microstructuur van de hersenen, maar missen eenvoudigweg kennis van gebarentaal.

In de afgelopen tien jaar heeft hij zich intensief met gebarentaal bezig gehouden en heeft zelf American Sign Language (ASL) geleerd. Perlmutter: 'Dit was moeilijk, omdat de structuur van ASL sterk afwijkt van die van gesproken Engels. Toch maakt dit gebarentaal niet uitzonderlijk. Als ik Navajo had moeten leren was dat even moeilijk geweest, omdat deze Indiaanse taal ook een afwijkende structuur heeft.'

Voor jonge kinderen is het veel gemakkelijker om gebarentaal onder de knie te krijgen. Er bestaat een kritieke leeftijdsfase waarin de hersenen zich naar iedere moedertaal kunnen richten.

Perlmutter is een bekende figuur in de theoretische taalkunde. Hij is zich met gebarentaal gaan bezig houden, omdat hij de claims wilde onderzoeken van de universele grammatica. Volgens deze theorie zou ieder mens beschikken over een identiek taalvermogen. De hersenen zijn uitgerust met een 'taalorgaan', dat in staat is de kloof tussen de uitgebreide taalkennis en de beperkte ervaring met taal te dichten.

Het taalorgaan is een theoretisch construct. Het idee is moeilijk toetsbaar, omdat de beschikbare kennis over de manier waarop neuronen in de hersenen werken vooralsnog tekort schiet. De theorie moet het dan ook doen met indirecte aanwijzingen. Zij is bijvoorbeeld alleen houdbaar als er vergaande overeenkomsten tussen verschillende talen bestaan. De aangeboren taalkennis moet immers in iedere taal teruggevonden worden.

Perlmutter: 'Op het gebied van gesproken talen lijkt inmiddels voldoende bewijs verzameld dat talen op een abstract niveau inderdaad zeer veel overeenkomsten hebben, maar het overtuigendste bewijs wordt verkregen als je gelijkenissen vindt op plaatsen waar die het minst verwacht worden. Vandaar dat de laatste jaren de interesse voor gebarentaal is opgebloeid.'

Het gaat om de vraag of gebarentaal echt zo anders is als op het eerste gezicht lijkt. Perlmutter concludeert van niet. Dit kan het duidelijkst geïllustreerd worden als gekeken wordt naar de verschillen tussen dierlijke en menselijke talen.

Roofdier

Meerkatten (een soort apen) kennen verschillende 'woorden' voor roofdier in de lucht en roofdier op de grond. Deze woorden kunnen op een geluidsband opgenomen worden en door het afspelen van de kreet 'roofdier op de grond', lukt het om de meerkatten de bomen in te jagen. In hun taal bestaat een één op één correspondentie tussen het woord en iets in de buitenwereld.

Perlmutter: 'Bij menselijke talen is dit niet het geval. De relatie tussen betekenis en klank is arbitrair. Zij komt tot stand door afspraken. Zo kunnen met maximaal veertig basisklanken een zeer groot aantal woorden gevormd worden. Vervolgens worden deze aaneen gevoegd tot woordgroepen, die uitgebreid kunnen worden tot zinnen, die op hun beurt een verhaal kunnen vertellen.'

De gebarentaal past volledig binnen het hier geschetste stramien, met het cruciale verschil dat de basiseenheden geen klanken zijn, maar gebaren. Met deze gebaren wordt een volledig vergelijkbaar taalsysteem geschapen.

Het zenuwstelsel geeft hiermee inderdaad blijk van een verbluffende plasticiteit. Er bestaan zelfs enige anekdotes over doofblinden die de tast als voertuig van taal benut zouden hebben. Toch is er geen goede reden om net als Sacks te veronderstellen dat dit een radicale afwijking van de normale ontwikkeling inhoudt.

Lettergrepen

Opvallend in dit verband is dat de eigenschappen van de klankstructuur van gesproken taal terug te vinden zijn in gebarentaal. Zelfs de manieren waarop fouten worden gemaakt zijn analoog. Slips of the tongue zijn vergelijkbaar met slips of de hands.

Perlmutter: 'De overeenkomsten liggen in het algemeen diep onder de oppervlakte. De woorden uit de gebarentaal bestaan net als bij gesproken taal uit lettergrepen. Zij worden in beide taalvormen ook op een soortgelijke wijze benut. In het Engels zie je bijvoorbeeld dat bepaalde constructies alleen toegepast mogen worden op woorden met een vast aantal lettergrepen. Je kan van een werkwoord een zelfstandig naamwoord maken door daar de uitgang al aan toe te voegen. Dit gebeurt alleen bij woorden van twee lettergrepen met de klemtoon op de laatste lettergreep. Zo wordt to refuse refusal of to deny denial. In de gebarentaal zie je eveneens dat bepaalde verschijnselen afhankelijk zijn van het aantal lettergrepen. Veel gebaren bestaan uit een korte herhaling van hetzelfde gebaar, maar dit is alleen toegestaan bij gebaren van één lettergreep.'

De formele structuur van gebarentaal maakt haar op geen enkele manier een buitenbeentje in de familie van gesproken talen. Het is daarom een interessante vraag of de neurologische basis voor beide vormen van taal ook grote gelijkenissen vertoont. Gebruiken beide taalvormen dezelfde breinregio? Deze vraag is niet op voorhand te beantwoorden. Bij horenden speelt de linker hersenhelft een grotere rol bij taal en de rechter bij de ruimtelijke en visuele waarneming. Het ruimtelijk karakter van gebarentaal lijkt dus een betrokkenheid van de rechter hersenhelft te impliceren en het talige karakter doet een specialisatie van de linker vermoeden.

Neurologisch onderzoek heeft de laatste veronderstelling bevestigd. Hersenletsel aan de linkerhemisfeer leidt ook voor mensen die gebarentaal gebruiken tot afasie. Zij kunnen woordvindingsproblemen hebben of bevatten de grammatica van zinnen niet meer. Het vermogen om ruimtelijke verbanden te leggen blijft echter gespaard. (Zij praten ook nog op dezelfde manier met handen en voeten als wij noodgedwongen in het buitenland soms doen.)

Beschadigingen in de rechter hersenhelft laten een omgekeerd patroon zien. De ruimtelijke cognitie gaat gedeeltelijk verloren, maar de talige vermogens blijven gespaard.

Een dramatisch voorbeeld bood de patiënt Brenda I. Zij werd getroffen door een lesie in de rechter hemisfeer. Haar ruimtelijk voorstellingsvermogen werd hierdoor zozeer beperkt dat zij zich niet meer kon voorstellen dat er ook ruimte bestond rond haar linker lichaamshelft. Als zij de indeling van haar kamer op papier moest weergeven, propte zij alle meubels op de rechterhelft van haar tekenblad. Bij het gebruik van gebarentaal was van deze handicap echter niets te merken. De gebaren werden niet allemaal naar de rechterkant verschoven, maar zij gebruikte het hele veld voor haar lichaam.

Op het eerste gezicht lijkt dit erg tegenstrijdig. Brenda maakte gebruik van de ruimte rond een lichaamshelft waarvan zij niet meer kon begrijpen dat die bestond. Volgens Sacks wijst dit in de richting dat de hersenen van gebruikers van gebarentaal over een 'nieuwe ruimtelijke representatie' beschikken. Hij ziet dit als een nieuw soort ruimte, die 'onvergelijkbaar is met het ruimtelijk idee van ons die geen gebarentaal gebruiken.'

Perlmutter vertrouwt op de alternatieve verklaring. Bij Brenda is geen bijzonder vermogen om ruimtes waar te nemen gespaard. Zij registreert de bouwstenen van haar moedertaal. De hersenen hoeven zich dus niet in bochten te wringen om gebruik te maken van gebarentaal. Grote aanpassingen zijn overbodig. Op bescheiden schaal schikken de hersenen zich naar de veranderde omstandigheden. Zo blijken zowel horenden als doven voor wie gebarentaal de moedertaal was, nauwkeuriger bewegingen in de periferie van het blikveld te registreren. Dit is een neurale aanpassing. Zij is noodzakelijk, omdat de sprekers van gebarentaal tijdens het communiceren oogcontact houden. Ondertussen vangen zij de gebarenstroom op die zich aan de rand van hun blikveld bevindt.

Nog boeiender is het bewijs dat sommige hersengebieden waaraan een zuiver auditieve werking werd toegeschreven, bij doven reageren op visuele signalen. Dit is geen aanpassing die direct voortvloeit uit het gebruik van gebarentaal, want zij is niet gevonden bij horende gebruikers. Het dove brein blijkt in staat dit hersenweefsel voor andere taken te benutten.

Perlmutter: 'Sacks heeft absoluut gelijk als hij zegt dat het brein een grote elasticiteit bezit, maar het is een vergissing om aan te nemen dat ook de centrale principes van taal veranderbaar zijn. Bij gebarentaal zien we hetzelfde taalorgaan in actie, dat robuust genoeg is om zich aan een andere zintuiglijke modus aan te passen.'