Gatt-akkoord maakt geen eind aan massawerkloosheid

Het is de wijsheid van de dag dat meer wereldhandel banen creëert en dat een mislukking van de wereldhandelsbesprekingen (Gatt) tot een wereldcrisis zou leiden, te vergelijken met de honger van de jaren dertig. Er is niets dat daar op duidt. Het is wel geopperd dat economen vrijhandel gebruiken zoals dronkelieden een straatlantaren: om op te leunen. De massawerkloosheid in de Westerse landen wordt niet opgelost door de handelsgezanten in Genève.

Toen president Clinton zich afgelopen zomer door zijn medewerkers liet overtuigen, dat hij toch echt wel naar de topconferentie van de Groep van Zeven grootste rijke landen in Tokyo moest gaan, zette hij zijn economen aan het werk. Ze moesten uitrekenen hoeveel banen het Japanse stimuleringsprogramma van 100 miljard dollar Amerika kon opleveren. Het antwoord was teleurstellend. Voor Amerika zou het op zijn best een stimulans van één miljard dollar kunnen betekenen dus de gevolgen voor de werkgelegenheid zouden beperkt blijven. Toch was Amerikaanse werkgelegenheid de spreuk die Clinton herhaalde in Tokyo. Werkloosheid is het probleem van deze tijd dus elke politieke daad wordt gepresenteerd als banenprogramma.

In de herfst van 1991 werd aan de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, James Baker, gevraagd waar de Golfoorlog over ging en zijn antwoord luidde “banen, banen, banen”. De Duitse bondskanselier Kohl ging vorige maand naar China om Duitse banen te halen. President Clinton speelde eind november gastheer voor veertien regeringsleiders van Aziatische landen, die lid zijn van de Asian Pacific Economic Cooperation (Apec). En wederom ging het om banen.

Toch is dat propaganda. Handel op zich schept geen extra banen. Anders zou in Nederland met zijn permanente, hoge handelsoverschot bijna iedereen werken. Nederland heeft als klein, open land wel veel meer baat bij handel dan de meeste andere landen. Volgens Ricardo's leer van het comparatieve voordeel verhoogt vrijhandel de produktiviteit omdat ieder land zich specialiseert. Verhoging van de produktiviteit betekent echter meer produktie met minder werk. De exportbanen die er bij komen, gaan er dus aan de andere kant weer af. Handel verhoogt dus niet zozeer de werkgelegenheid als wel de levensstandaard.

Clinton beschreef de paradox in zijn toespraak voor de Apeclanden. Hij stelde vast dat alle welvarende naties problemen hebben met het creëren van banen, zelfs met economische groei. “Want werknemers in geavanceerde landen moeten steeds produktiever worden om de competitie van lage-lonen-landen enerzijds en van hooggeschoolde, hoogtechnologische landen anderzijds aan te kunnen. Een hogere produktiviteit betekent simpelweg dat minder en minder landen meer en meer goederen kunnen produceren. In een dergelijke omgeving is de enige manier om banen en inkomens te verhogen het vinden van meer klanten voor elkaars produkten”, zei hij. Clinton neemt dus aan dat ergens de produktiviteitsgroei en arbeidsuitstoot door grotere internationale efficiency stopt. Dat is nergens aangetoond. Werknemers, die zijn ontslagen, omdat het bedrijf wegens hardere concurrentie moest afslanken, of de honderdduizenden werklozen in de verpauperde Amerikaanse binnensteden, waar vroeger de industrie bloeide, hebben dat niet zo ervaren. Vergeleken bij de EG heeft Amerika redelijk open grenzen, met name voor ontwikkelingslanden.

Een mislukking van het Gatt-verdrag zal de tijd van “Koopt Nederlandse Waar, Dan Helpen Wij Elkaar”, niet terugbrengen. Door economische blokvorming zou er in een protectionistische wereld nog aanzienlijke handel binnen de regio's blijven. Volgens Paul Krugman, hoogleraar economie aan het Massachusetts Institute of Technology, zou protectionisme van Europese, Amerikaanse en Aziatische handelsblokken in de wereld geen effect hebben op werkgelegenheid. De exportbanen zouden wegvallen maar “elk blok zou ruwweg het zelfde aantal banen terugkrijgen door het produceren van goederen die het vroeger zou hebben geïmporteerd”, aldus Krugman in zijn boek “The Age of Diminished Expectations”. “Er is geen reden dat zelfs zulke grote fragmentatie van de wereldmarkt (met handelstarieven van 100 procent) extra werkloosheid zou veroorzaken. De kosten zouden komen van verminderde efficiency”. Zelfs die kosten zijn volgens Krugman beperkt tot een paar procent van het inkomen van de drie handelsblokken, “het zelfde als een toename van de werkloosheid met één procent”.

Toch zijn de voordelen van internationale handel niet uit te vlakken. Behalve vergroter van de efficiency en brenger van computerchips, zacht zoevende Honda's en mini-videocamera's is vrijere handel een vreedzame contactmogelijkheid tussen uiteenlopende landen, een brug tussen Amerika, Azië en de EG voor na de Koude Oorlog. Maar sommigen beschouwen de nuttige vuistregel van open grenzen als een heilsleer. Computermodellen voorspellen wel 6000 miljard dollar extra groei als resultaat van een nieuw Gatt-akkoord. Veel Amerikanen en Engelsen denken in navolging van Adam Smith dat alles goed komt, mits de overheid slaapt. Maar de open competitie van de neoklassieke vrijhandelsmodellen bestaat niet in werkelijkheid. Grote conglomeraten kunnen concurrenten door dumping en marktcontrole uitschakelen, omdat de schaalvergroting (in vliegtuigen en elektronica) maar enkele producenten toelaat. Dit zijn geen 'marktimperfecties', omdat juist grote conglomeraten het meest bij de wereldhandel zijn betrokken, te beginnen bij de vroegere Verenigde Oostindische Compagnie en bij Shell. “In realiteit zouden die marktimperfecties wel eens de regel kunnen zijn”, aldus Krugman. Kortom, de consument speelt een veel minder belangrijke rol dan hem wordt voorgespiegeld.

In Amerika is de geschiedenis geheel herschreven, alsof het land werd opgebouwd door onafhankelijke pioniers. Het tegendeel is waar. De Westerse Frontier is door de overheid opengelegd. De vliegtuigfabriek Boeing werd geholpen door de goedkope hydro-elektriciteit van de Bonneville Dam en de Grand Coulee Dam in Washington State. Het Pentagon droeg ook flink bij. Belangrijke uitgaven voor economische steun werden gerechtvaardigd met National Security. De succesverhalen zijn talrijk: RCA, Texas Instruments, IBM of Comsat (satellieten). Krugman, een traditionele neoklassieke econoom, heeft met een groep andere economische denkers modellen gemaakt waaruit blijkt dat gericht regeringsbeleid de comparatieve voordelen van een land een handje kan helpen.

Krugman gelooft niettemin dat de overheid te wisselvallig is om economische winnaars te kiezen. Toch zijn alle industriële grootmachten, inclusief het Engeland van Adam Smith, met overheidsingrijpen groot geworden. Economische historici, te beginnen met de 19e eeuwse Duitser Friedrich List, hebben geregistreerd hoe dat gebeurde. Volgens de voorstanders van laissez faire kan de overheid geen economische winnaars of verliezers aanwijzen. Het is eerder zo dat sommige overheden slagen waar andere in falen. RSV-drama's worden afgewisseld met Airbussuccessen. Het waarom daarvan is even moeilijk als het waarom van zieke en gezonde mensen. Het blijft bij verklaringen achteraf. Nederlanders kunnen Japanse diëten volgen maar daarmee worden ze nog geen Japanners.

Hoewel volgens het neoklassieke model iedereen baat behoort te hebben bij handel, tekenen zich toch duidelijke winnaars en verliezers af omdat niet iedereen volgens de zelfde regels speelt. Duitsland daagde met succes de Engelse industriële suprematie uit, Japan en andere Aziatische landen hebben zich door gericht overheidsbeleid en effectieve informele afspraken tot economische grootmachten ontwikkeld. Als ze aan de top staan, worden ze meer vrijhandelsgezind om ook andermans markten te openen. Zo stond Amerika na de oorlog aan het hoofd van een zeer succesvolle handelscoalitie, tevens bruggehoofd tegen het Sovjet-blok. Onder Amerikaans voorzitterschap werden er verscheidene rondes van tariefverlagingen doorgevoerd. Een Japanse minister vergeleek het ooit met een golfwedstrijd waarbij de Amerikaanse regering aan andere spelers een grote handicap gunde. Als onbetwiste economische supermacht kon Amerika het zich als een internationale Henry Ford veroorloven om elders in de wereld de koopkracht voor Amerikaanse produkten te bevorderen. Inmiddels zijn de machtsverhoudingen veranderd. Nu is het door een malaise geplaagde Japan aan de beurt om wat geld uit de dikke spaarpot te halen maar het is niet aan een dergelijke rol gewend.

De huidige Gatt-onderhandelingen voor tariefverlagingen zijn eigenlijk de laatste in de serie. Dat komt niet alleen omdat het Amerikaanse economische en politieke gewicht relatief afneemt maar ook omdat handelsbelemmeringen steeds minder uit tarieven, quota en subsidies bestaan maar uit kartels, informele administratieve praktijken en ondoordringbare distributiesystemen. De niet te kwantificeren beperkingen zijn moeilijker te vatten omdat ze vaak geen economische maar culturele wortels hebben. Handelsbesprekingen raken steeds meer het bot van de culturele verscheidenheid. Gatt-specialisten hebben de neiging om alles tot economisch goed te degraderen. Europese filmsubsidies verstoren de markt voor Amerikaanse films, dus moeten ze worden verboden. Het gaat er ook om dat Europese consument iets anders voorgeschoteld krijgt dan Amerikaanse waar.

Volgens het neoklassieke model zou de Europese film moeten kunnen concurreren met die van Hollywood en is elke subsidie bedrog van de markt. Maar door verschillen in schaal en taal kan een Nederlandse televisieproduktie het niet opnemen tegen een Hollywoodproduktie. Het is niet zo dat Nederlanders niet naar Nederlandse produkties willen kijken - dat willen ze juist wel - maar dat Amerikaanse produkties door schaalvoordelen veel goedkoper zijn, zodat de verleiding groot wordt om die maar uit te zenden.

Dit alles betekent niet dat er geen Gatt tot stand moet komen maar dat de gevolgen ervan overdreven zijn. Alle partijen zullen de nieuwe regelingen willen omzeilen door wederzijdse marktafspraken of door andere praktijken die in Genève over het hoofd zijn gezien. Meer laissez faire maakt zakenmensen niet plotseling slimmer. Philips zal niet tot een briljante marketingstrategie overgaan en zijn voorkeur voor stofzuigerafdelingen in verouderde, Amerikaanse warenhuizen laten varen. Daar komt meer bij kijken. Soms is protectionisme eerder een gevolg van slecht zaken doen dan een oorzaak. Soms staat het aan de wieg van succes, soms vergroot het de mislukking. Maar zeker is dat het aannemen van een nieuw Gatt-verdrag of het verwerpen daarvan geen einde maakt aan de massawerkloosheid. Het aantal skinheads zal in West-Europa blijven groeien en de dodelijke schietoorlog in de Amerikaanse binnensteden zal voortgaan.