Fraude

Hoewel de inventiteit van de semafoon-spiekende student mij amuseert, ben ik - vierde jaars rechtenstudent aan de RU Limburg - geen warm voorstander van examenfraude.

Een goed student behoeft niet te frauderen. Maar een goede examencommissie bestrijdt niet alleen de symptomen van fraude, zij dient ook open te staan voor de oorzaken die hier debet aan kunnen zijn. Ik zal dit toelichten, puttend uit eigen ervaring. Sommige toetsen zijn naar vorm of inhoud gewoonweg te zwaar. Bezwaar aantekenen heeft doorgaans geen zin; verantwoordelijke docenten blijven vasthouden aan hun ongelijk omdat ze correctie als blamerend ervaren.

Als meer dan 100 studenten binnen twee weken over hetzelfde onderwerp een opstel moeten schrijven, dan werkt dit overschrijven in de hand. Daarnaast is de beoordeling van opstellen uitermate arbitrair. Behaagt een uitgedragen mening de corrector niet, dan is dit doorgaans merkbaar in de beoordeling. Ook hier geldt: klagen heeft geen zin.

De rol die de examencommissie in de deze speelt, is ambivalent. Enerzijds dient zij erop toe te zien dat de examinering goed verloopt en er geen fraude plaatsvindt. Anderzijds is zij het klachtorgaan waar studenten naar toe zullen moeten indien een examengeschil zich voordoet. In zo'n geval komt het maar al te vaak voor dat de voorzitter van de examancommissie tijdens het schikingsgesprek, zijn collega de hand boven het hoofd houdt. Nog bonter is het geval waarin de voorzitter eigenhandig meende een punt te mogen veranderen. Tegen dergelijke onredelijkheden trekt de student veelal aan het kortste eind: in beroep wordt immers niet meer direct over de inhoudelijkheid van de klacht geoordeeld.

Bezien we de fraude-problematiek vanuit de optiek van de student, dan klinken alle waarschuwingen afkomstig van de examencommissie onwaarachtig en hol. Het is immers dezelfde commissie die de op goede gronden agerende student, afscheept en unfair behandelt. Wellicht geldt ook hier het Romeinsrechtelijk adagium: het hoogste recht is het hoogste onrecht.