De show gaat door

Natuurlijk gaat het gala bij de negentigste verjaardag van de operetteheld Johan Heesters, zondagavond in het Metropol-theater in Berlijn, gewoon door.

De halve Duitse artiestenwereld, van Marika Rökk tot Caterina Valente en van Paul Kuhn tot Cornelia Froboess, zal zich daar jubelend rond de jarige scharen en de feestelijkheden worden zeventig minuten lang rechtstreeks uitgezonden door het ZDF. Daar heeft het protest van het Nederlands Dachau Comité niets aan kunnen veranderen. Duitsland laat zich zijn Grandseigneur des Films, zoals het programmablad Hör Zu hem deze week noemt, niet afnemen - ook niet door het argument dat zo'n huldiging in het huidige politieke klimaat in Europa “een verkeerd signaal aan de wereld” zou geven.

Heesters, de stralende charmeur in rokkostuum, koestert zich tot op de dag van vandaag in de warme omarming van het Duitse publiek, terwijl hij uit zijn geboorteland sinds de oorlog niets dan koelte heeft ervaren. Wat hem in Duitsland allang is vergeven - ach, er waren daar zo véél artiesten die bij de hoogmogende nazi's in een goed blaadje stonden - wordt hem hier tot op de dag van vandaag kwalijk genomen. En dat hij zich op 21 mei 1941 als eregast heeft laten rondleiden door het concentratiekamp Dachau, dat zal hem in Nederland tot zijn laatste snik worden nagedragen.

De uit Amersfoort geboortige kruidenierszoon, die in 1934 in de film Bleeke Bet nog zo smachtend over de Westertoren had gezongen, werd in de loop van de jaren dertig met open armen ontvangen in het Oostenrijks-Duitse operettemilieu. Heesters straalde een Parijzerig joie de vivre uit waar het de eigen zangers veelal aan schortte. Vaak, en steeds vaker naarmate hij ouder werd, noemde men hem de Maurice Chevalier van het Duitstalige theater, met diezelfde bonvivant-ondeugd in zijn ogen, maar met meer lyriek in zijn stem.

Tot de miljoenen bewonderaars behoorde echter ook de Führer, die hem herhaaldelijk en hartelijk de hand schudde ten overstaan van gedienstige fotografen, en maar al te graag bereid was een stoel bij te schuiven als bleek dat de zanger nog niet gegeten had. Kon hij het helpen, riep Heesters na de oorlog uit, dat Hitler met hem dweepte? Was het zijn schuld dat Heydrich hem aan een banket liet aanzitten? Wat had hij dàn moeten doen? “Ik ben ook tijdens de oorlog in Duitsland gebleven”, zei hij in zijn autobiografie Es kommt auf die Sekunde an, “omdat het Duitse publiek in die harde tijden troost en ontspanning nodig had. Nederland heeft daarmee merkwaardig genoeg geen rekening willen houden. In Holland zijn sommige lieden erg hardleers...”

De grootste smet op het blazoen van Johan Heesters vormt vanzelfsprekend zijn bezoek aan Dachau. Het werd hem, aldus zijn boek, opgedragen. Weigeren was niet mogelijk geweest. Maar: “Ik heb me mijn hele leven geschaamd om het feit dat de nazi's mij daar naar toe hebben gelokt.” Op de tijdens het bezoek gemaakte propagandafoto's ziet men Heesters belangstellend naar de schone barakken kijken en enthousiast wijzen op een kamporkest van Poolse gevangenen dat op de appelplaats zit te spelen. Na afloop werd hem, ter herinnering aan de frohe und heitere Nachmittag im Konzentrationslager Dachau, een in leer gebonden fotoboek toegestuurd.

Maar heeft Heesters in Dachau ook gezòngen? Vijftien jaar geleden onthulde de Weense correspondent Jules Huf in het weekblad Elsevier, dat de omstreden zanger zich in het Führerhaus van het kamp door die kaalgeschoren gevangenen had laten begeleiden tijdens een optreden voor de SS-top. Zelf heeft Heesters dat laatste altijd ontkend. Er was inderdaad een orkest, zei hij, maar hij had er niet gezongen.

In 1960 speelde Johan Heesters in Amsterdam een week lang een gastrol in Der Bettelstudent bij de Nederlandse Operastichting. Hij oogstte er veel succes. Maar vier jaar later werd hij uitgejouwd toen producent René Sleeswijk hem de mannelijke hoofdrol - een man die zich tot het uiterste verzette tegen de nazi's - liet spelen in een Nederlandse versie van de musical The sound of music. Daardoor werd de produktie een flop. Heesters bleef sindsdien uit Nederland weg.

Thuis, in Wenen, werd hem in 1984 door de Oostenrijkse minister van cultuur het erelidmaatschap van de Weense Volksopera toegekend, nadat twee voorgangers van de bewindsman daarvan na Nederlandse protesten hadden afgezien. Sindsdien is zijn oorlogsverleden er voorgoed vergeten. En het zal bij zijn negentigste verjaardag niet meer worden opgerakeld.