BEZUINIGINGSMALLEMOLEN

Vroeger, heel vroeger, toen onderzoek nog niet herkend was als de motor van de welvaart, het vliegwiel van de vooruitgang, was er nauwelijks overheidsgeld voor onderzoek. Toen mijn vader in 1938 benoemd werd tot hoogleraar Interne Geneeskunde was zijn onderzoeksbudget bijna niets.

Onderzoek was luxe. Fanatiekelingen deden dat in de avonduren op eigen kosten en rijke zonderlingen overdag met geërfd geld. Er waren geen instanties waar je onderzoeksaanvragen kon indienen, er waren nauwelijks fabrieken die apparatuur voor onderzoek verkochten (dat moest in de eigen werkplaats worden gemaakt). Het onderzoek was 'naakt en ongekromd, een tijdverdrijf voor enkle fijne luiden'', zoals Du Perron schreef. (Hij schreef dat weliswaar over de poëzie, maar het geldt m.i. ook wel voor het onderzoek van die dagen).

Na de oorlog werd dat anders. Het nut, sterker de noodzaak van onderzoek werd ontdekt en ook herkend als overheidstaak. De budgetten van universiteiten groeiden. Bij ieder partje universitair onderwijs hoorde ook een toefje universitair onderzoek en met de aanwas van het aantal studenten groeiden die toefjes uit tot machtige slagroomtaarten.

Dat kon zo niet doorgaan. Als iedereen in Nederland tertiair onderwijs krijgt, kan niet iedere tertiaire onderwijzer ook nog een flink budget voor onderzoek krijgen. Eerst wordt het moeilijker om meer geld te krijgen en moeten steeds betere onderzoeksaanvragen worden geproduceerd om nog een medewerker of een apparaat te bemachtigen. Als ook dat niet voldoende werkt, verzint de overheid in de tachtiger jaren iets nieuws: bijna iedere onderzoeker wordt geregeld gekort en alleen wie vaardig inspeelt op nieuwe geldstromen en onderzoeksprioriteiten blijft overeind.

Dat is een nieuw element. Niemand is verbaasd dat er enige moeite moet worden gedaan om meer te krijgen, maar dat continuïteit in je onderzoek continu bevochten moet worden, dat is nieuw.

In deze vernieuwing speelt mee dat de overheid een verschuiving aanbrengt tussen vanzelfsprekend geld en projektgeld. Vanzelfsprekend geld is het ouderwetse geld dat hoort bij de infrastruktuur van een baan. Een professor krijgt geld voor onderzoek, niet veel, maar voldoende om iets te doen. Daarnaast komen er steeds meer vormen van competitieve financiering per projekt: financiering van een onderzoeksprogramma, gebaseerd op kwaliteitsbeoordeling; financiering van toponderzoekers, op basis van zorgvuldige evaluatie van wie top is en wie niet.

Hoewel er voor deze verschuiving van onderzoeksgelden wel iets te zeggen valt, zijn de ongunstige neveneffekten niet gering. Onderzoek vereist een zekere rust, concentratie en continuïteit. Een voortdurende bijstelling van de regels voor de financiering is daar niet bevorderlijk voor. Wil men voorkomen dat onderzoekers alleen nog maar vergaderen over herstructurering en wie er nu weer uit moet, dan moet een zekere continuïteit in de financiering gewaarborgd worden. Niet voor de eeuwigheid, maar wel voor een periode van 5-7 jaar.

Dit is uiteraard niet alleen maar een theoretische beschouwing: ik dreig ook zelf weer een klap van de bezuinigingsmolen te krijgen. De overheid, die het onderzoek van het Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis (NKI/AvL) voor een groot deel financiert, wil daarop in de komende twee jaar 15% bezuinigingen. Dat is werkelijk niet omdat die financiering - ongelukkigerwijs subsidie genoemd - de pan uit is gerezen: in de tien jaar dat ik in dat onvolprezen instituut werk, is die subsidie met 5% toegenomen. In diezelfde periode 1983-1992 stegen de totale overheidsuitgaven met 47%. Men kan dus waarlijk niet zeggen dat de Nederlandse overheidsfinanciën in het ongerede zijn geraakt door overmatige uitgaven aan kankeronderzoek. Het zijn ook niet de kosten van ander onderzoek en onderwijs, die de regering tot dit soort absurde bezuinigingen brengen. De uitgaven van het departement van O&W stegen in de periode 1983-1992 slechts met 26%, ondanks de uitdijende studiefinanciering. Voor een welvarend land, dat het moet hebben van kennisintensieve activiteiten, is dat echt niet veel.

Waar de uitgavengroei dan wel naar toe is gegaan, weet de lezer. De exuberante groei in overdrachtsuitgaven is eerder dit jaar in deze krant beschreven. In de tien jaar dat de subsidie aan het NKI met 5% toenam, ging de individuele huursubsidie, om een willekeurig voorbeeld te noemen, met 600% omhoog, van ƒ 700 miljoen naar ƒ 4200 miljoen. Is het dan vreemd dat het moeilijk wordt om geld te vinden voor produktieve investeringen in kennisinfrastructuur, in opleiding en onderzoek?

Een paar getallen uit het buitenland ter vergelijking. In de periode 1983-1992 steeg de subsidie van de Duitse staat aan het Duitse Kankerinstituut met 60%, ondanks een lelijke terugslag in 1992 door bezuinigingen veroorzaakt door de hereniging van West- en Oost-Duitsland. Toen ik mijn collega Harald zur Hausen, directeur van dit instituut, door de telefoon vertelde over de 15% subsidiekorting, wist hij na 10 seonden sprakeloosheid alleen uit te brengen: 'That is absurd''. Al krijgt het Duitse Kankerinstituut meer dan tien maal zoveel overheidssubsidie als het Nederlandse, ook voor Zur Hausen zou een 15% korting onhanteerbaar zijn.

Het Europees Moleculair Biologie Laboratorium, waaraan wij Nederlanders ook mee betalen (terecht, goed besteed geld), zag de subsidie in de periode 1983-1992 met 84% toenemen. De National Institutes of Health in Amerika, de grootste biomedische onderzoeksorganisatie in de wereld, kreeg bijna 200% meer. Dat het Nederlands Kanker Instituut met zijn 5% subsidiegroei in tien jaar nog in de wereldtop meedraait, mag een wonder heten.

Deze recente aanslag op de rijkssubsidie aan het Nederlands Kanker Instituut is niet de eerste in de afgelopen 10 jaar en daarom gebruik ik hier ook het woord mallemolen. In 1986 werden de niet-universitaire onderzoeksinstituten doorgelicht op doelmatigheid. Het kappen van dood onderzoekshout moest de staat subsidie besparen. Ik spendeerde weken aan het produceren van stukken, er kwam een heuse organisatieadviseur, die het hele Kankerinstituut doorlichtte, en aan het eind kregen we een 10 met een griffel.

Geen bezuiniging dus, zult u denken, maar zo werkt het niet in Nederland. Eerst een tijdrovend onderzoek en toen werd vervolgens iedereen voor hetzelfde percentage gekort. Niks dood hout kappen, alle bomen korter. Van onze boom moest 11% af. Wij vonden dat niet redelijk en togen naar de Tweede Kamer, die met een kamerbreed gesteunde motie de korting gedeeltelijk ongedaan maakte.

Drie jaar later kwam een volgende korting. Dit keer ging het niet om doelmatigheid, maar er moest geld komen voor het onderzoek naar de gokverslaving en daarom moest het kankeronderzoek gekort worden. De logica ontging ons, maar het ging niet om een heel groot bedrag, niet voldoende om de Tweede Kamer weer mee lastig te vallen.

In 1992 was het opnieuw raak, dit keer was de korting 8%. Weer een lange discussie met WVC, gevolgd door een beroep op de Kamer. Na maanden tijdrovend overleg, verdween de korting pas in december van tafel, toen een nieuwe motie ten gunste van het Nederlands Kanker Instituut kamerbrede steun leek te krijgen. Zeven maanden later, in juli 1993, volgde de brief, waarin een 15% subsidiekorting wordt aangezegd.

Ook deze korting zal hopelijk weer ongedaan worden gemaakt. Ik ben inmiddels voor de derde keer in zeven jaar bij de Tweede Kamer op bezoek geweest en de Kamerleden leken mij verrast over deze nieuwe aanslag op het kankeronderzoek. Het gaat m.i. ook wel ver dat WVC eerdere uitspraken van de Kamer zo negeert met deze nieuwe bezuiniging.

Het gaat mij hier ook niet primair om dit incident dat ons werk in ongerede dreigt te brengen, maar om het irrationele karakter van de enorme verkwisting, die deze bezuinigingsmallemolen teweeg brengt. Voor een bezuiniging van een paar miljoen is een groot aantal mensen lang van hun werk gehouden, ambtenaren, die ook liever niet op kankeronderzoek bezuinigen; Kamerleden, die driemaal zich diepgaand bezig hebben moeten houden met hetzelfde kleine begrotingspostje en de onderzoekers, die tijd, rust en concentratie nodig hebben voor onderzoek en die dizzy worden gedraaid in de bezuinigingsmallemolen. Wat een verspilling van tijd en talent.

Maar wat dan? Terug naar de jaren dertig, toen onderzoek luxe was en voorbehouden aan een paar fanate doordouwers, gesteund door filantropie en industrie? Onzin natuurlijk. Onze welvaart is science-driven, volstrekt afhankelijk van natuurwetenschappelijke kennis. Een overheid, die dat niet beseft en er naar leeft, tekent voor achteruitgang. Evenals een welvarend land niet kan functioneren zonder goede verbindingen - wegen, communicatie - kan het ook niet functioneren zonder een goede kennisinfrastructuur, kennisvergaring en kennisoverdracht. Zoals er ook continuïteit moet zitten in het onderhoud van onze geografische infrastructuur, omdat anders wegen onbegaanbaar worden en bruggen niet meer dicht kunnen, moet er ook continuïteit zitten in het onderhoud van de kennisinfrastructuur. Een regering, die de produktieve investeringen hoog in het vaandel heeft, zou zich even druk moeten maken over investeringen in onderzoek als over een extra startbaan voor Schiphol of een Betuwelijn.