Bederfelijk erfgoed

De natuurhistorische collecties in ons land vallen ten prooi aan kwalijke invloeden als chemische afbraak, verpulvering en vraat door motten, doodskloppertjes en tapijtkevers. Museumconservatoren buigen zich over de vraag, hoe deze bedreigingen het hoofd te bieden.

Wie wat bewaart, heeft wat: een probleem.

Dat probleem is om het bewaarde te houden in de toestand waarin het is. Zoals elke museumconservator weet, is die strijd bij voorbaat verloren. Alles in het materiële universum valt nu eenmaal onontkoombaar ten prooi aan aftakeling en verval. Oxydatie, verzuring, uitdroging, verbleking, mechanische schade, beschimmeling, vraat: het zijn slechts enkele gedaanten waarin de tand des tijds zijn knagende werk pleegt te doen.

Dat geldt voor kunstvoorwerpen als schilderijen en beeldhouwwerken. En dat geldt nog meer voor botten, schelpen, opgezette dieren en andere naturalia. Broos, teer en opgebouwd uit vergankelijk organisch materiaal, zijn deze objecten meestal kwetsbaarder dan Michelangelo's, Louis XV-tafeltjes en Rembrandts.

Merkwaardig is, dat die kwetsbaarheid nooit heeft geleid tot bijzondere aandacht voor hun conservering. Wat dat betreft vormen de naturalia een ondergeschoven kindje. Het restauratie- en conserveringsonderzoek in binnen- en buitenland bloeit als nooit te voren, maar is nog steeds vrijwel uitsluitend toegespitst op kunstvoorwerpen. Een schilderij restaureren of een gobelin conserveren, daarvoor is meer dan genoeg kennis voorhanden. Maar hoe een opgezette trekduif het best tegen vraat en beschimmeling te behoeden, daarover is de expertise bescheiden.

Zelfs op het Centraal Laboratorium voor Onderzoek van Voorwerpen van Kunst en Wetenschap in Amsterdam komen de naturalia er traditioneel bekaaid af. In weerwil van de naam verricht ook dit instituut traditioneel alleen maar onderzoek naar kunstvoorwerpen. Dat komt, meent analytisch biochemica drs. Agnes Brokerhof, doordat er in de natuurhistorische musea nooit een conserveringstraditie heeft bestaan. 'Kunstmusea,'' zegt ze, 'bewaren voorwerpen om ze aan het publiek te tonen, terwijl natuurhistorische collecties meer de functie hebben van een archief. Het zijn in de eerste plaats studieverzamelingen die worden gebruikt door onderzoekers. En onderzoekers zijn, in tegenstelling tot conservatoren in kunstmusea, niet zozeer geïnteresseerd in conservering alswel in de wetenschappelijke informatie van hun verzameling. Ze vragen zich af wat ze ervan kunnen leren en minder wat er mee fout kan gaan.''

Kennisleemten

Brokerhof heeft zich als medewerker van het Centraal Laboratorium een jaar full-time beziggehouden met de behoudsproblematiek van natuurhistorische verzamelingen. In het kader van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud, dat moet leiden tot de volledige inventarisatie van de museumcollecties in Nederland, bracht zij de problemen, de bestaande kennis, de kennisleemten en de behoefte aan verder onderzoek in kaart.

Ook bij de beheerders van natuurhistorische collecties zelf is de aandacht voor de problematiek groeiende. Dat bleek onlangs in Amsterdam tijdens een druk bezochte themadag van het Centraal Laboratorium en de Nederlandse Museum Vereniging, geheel aan het onderwerp gewijd. Een lange stoet van biologische, chemische en mechanische schade-oorzaken passeerde de revue. Als er één algemene les te trekken viel, dan was het dat geen enkel type voorwerp de dans ontspringt. Niet alleen opgezette vogeltjes en slangen in potten staan bloot aan verval, maar ook schelpen, eieren, geweien, gedroogde planten, botten, hout, ja zelfs fossielen en mineralen.

Bij organisch materiaal is een belangrijk problemen vraat. Voor een klein deel komt die voor rekening van kleine knaagdieren, de grootste boosdoeners echter zijn insekten. Meestal zijn het de larven die de schade aanrichten, door zich vol te vreten met koolhydraten, vetten en eiwitten die ze aantreffen in de balgen (afgestroopte huiden) en de opgezette dieren.

Dierplaagbestrijder dr. Jan de Jonge van de Hoofdinspectie Milieuhygiëne in Wageningen kent de belangrijkste soorten, hun levenscycli en specialisaties. Zo vormen kleer-, pels- en huismotten een bedreiging voor het keratine in wol en huiden, terwijl diefkevers juist generalisten zijn die zich tegoed doen aan zowel plantaardige als dierlijke materialen. Andere onwelkome klanten zijn franjestaarten (zilver- en ovenvisjes), spekkevers, stofluizen, doodskloppertjes (houtwurmkevers) en, de ergste lastposten van allemaal, de tapijtkevers.

De Jonge: 'Tapijtkevers van de familie der Dermestidae zijn lijkenvreters. Ze voeden zich dus met dierlijke materialen. In oude gebouwen met bijvoorbeeld vogelnesten onder de dakpannen kunnen tapijtkeverplagen zeer hardnekkig zijn. De belangrijkste soorten zijn van het geslacht Anthrenus. Daarvan bestaat zelfs een soort die Anthrenus museorum heet, maar die kom ik in de musea gek genoeg niet tegen!''

Vraatregister

Een grote collectie waar het probleem van de insektenvraat zich in de praktijk voordoet is die van het Nationaal Natuurhistorisch Museum (NNM) in Leiden. Het kolossale gebouwencomplex aan de Raamsteeg huisvest een verzameling van niet minder dan 10 miljoen objecten. Een deel hiervan bestaat uit mineralen en gesteenten, maar het overgrote deel van het materiaal is biologisch.

Peter van Dam, preparateur en collectiebeheerder van de onderafdeling Vogels, legt uit hoe moeilijk het is om met een verzameling van een dergelijke enorme omvang om te gaan: 'We hebben hier alleen al een half miljoen vogels, opgeborgen in vele duizenden laden en kisten. Het is ten enenmale ondoenlijk om die allemaal geregeld te inspecteren. Wat je in zo'n situatie moet doen is een vraatregister bijhouden, waarin je de lokatie, het organisme, de getroffen maatregel en de verdere geschiedenis nauwkeurig vastlegt.''

Bij een raam laat Van Dam zien hoe het oude gebouw voor insekten zo lek is als een mandje. 'Kijk, hier liggen vleugels van gaasvliegjes, de lichaampjes zijn er tussenuit gevreten. Als gaasvliegen hier al binnen komen, dan Anthrenus zeker. Voor ons lijkt het dicht, maar kijk eens hier, in deze voeg ontbreekt specie. De kans is groot dat er gangetjes zijn waardoor insekten naar binnen kruipen. Je moet je verplaatsen in het leven van een tor. Die wil dolgraag naar binnen, vooral als het hier voor hem ontzettend lekker ruikt. Insekten leven in een microwereld waar wij totaal geen zicht op hebben.''

Op een hogere verdieping trekt Van Dam laden open met probleemgevallen die hij bij inspecties is tegengekomen. Sommige balgen zijn aangetast door vraat, andere door schimmel, weer andere door uittreding van vet ('vetbloei') of door mechanische breuk. Van Dam: 'Kijk hier, een wulp die in 1924 is gevonden bij de vuurtoren van Ouddorp. Poot afgebroken. En hier, een woerd geschoten in november 1919, de hele achterkant ligt eruit! Je kunt je natuurlijk afvragen: wat maakt het uit, het is de Nachtwacht toch niet, er zijn nog honderden andere exemplaren van deze soort in de verzameling over. Maar zo simpel ligt het niet. Soorten en populaties zijn variabel en een wetenschappelijk onderzoeker wil die variatie, zowel in de ruimte als in de tijd, zo goed mogelijk vastleggen. Ieder individu betekent dus unieke informatie en is onvervangbaar.''

Vam Dam haast zich op te merken dat er maar een zeer kleine fractie van de tien miljoen objecten in de verzameling is aangetast, al vreest hij dat de schade aan de andere kant groter is dan hij zich oppervlakkig laat aanzien. Van Dam: 'De ervaring leert dat vraat zich het eerst voordoet op die plekken die al een beetje smoezelig zijn, bijvoorbeeld omdat iemand ze met de handen heeft aangepakt. Daarom dragen we hier ook bij voorkeur handschoenen. Op dit moment worden de opgezette vogels schoongemaakt door een vrijwilliger.''

Duiven zuigen

We treffen deze behoudsmedewerker, de Helderse bibliothecaris en fokker van exotische duiven Herman Bruins, aan bij het reinigen van exemplaren van de gewone rotsduif Columba livia (de duivesoort die men ook op de Dam aantreft). Dat reinigen gebeurt met een aangepaste stofzuiger. Van Dam: 'Er moesten wel wat weerstanden overwonnen worden om dit instrument te introduceren in het conserveringswerk. Logisch, want de grootste reclame voor een stofzuiger is dat-ie zo goed zuigt dat je er de vloerbedekking mee lostrekt. Maar een klein stofzuigertje zoals dit, met regelbaar toerental en een zacht borsteltje op de zuigkop, blijkt toch erg handig. Je kunt die vogels enthousiast met een plumeau af gaan schuieren, maar dat schiet niet op. Meneer Bruins maakt hier in 3 minuten een duif schoon waar hij er met de hand zeker een kwartier over zou doen.''

Het 'duiven zuigen' illustreert goed hoe arbeidsintensief het onderhoud van natuurhistorische verzamelingen is, maar ook welke onverwachte nieuwe problemen zich daarbij kunnen aandienen. Want de stofzuiger heeft achter de motor een extra filter, waarmee het verstoven koolstof van de koolboorstels wordt opgevangen. Van Dam: 'Je moet goed uitkijken dat je met je conserveringsmaatregel geen nieuwe moeilijkheden introceert. Dan sleep je allerlei goedbedoelde onzin naar binnen maar zorg je weer voor een nieuw probleem. Hetzelfde heb je met schoonmaakmiddelen.''

Naast restauratie en schoonmaak houden de museummedewerkers zich bezig met preventieve maatregelen, waaronder het periodiek invriezen van opgezette dieren en het spuiten van insektegif. Een algemene strategie ter voorkoming van bederf is het zogeheten schillenprincipe. Van Dam: 'Als je de kwade buitenwereld buiten wilt houden, kun je het beste over meerdere verdedigingslinies beschikken. De buitenste schil is de gevel van het gebouw. De volgende is de kast, die al zorgt voor een veel constanter microklimaat dan in de open ruimten. En de derde en laatste schil is de vitrine. Als je je objecten volgens dit principe opbergt, heb je duidelijk veel minder last van problemen. Een voorbeeld is het vraatprobleem in de insektencollectie. Soms dringen er wel eens larven van de tapijtkever door in die collectie en vreten dan bijvoorbeeld een heel loketlaatje vlinders leeg. Maar ze komen nooit verder dan dat ene laatje, waardoor de schade beperkt blijft.''

Gekkengoud

Staan organische resten als balgen, vachten en veren aan biologische afbraak bloot, ook anorganische materialen als schelpen en fossielen zijn niet veilig voor destructie. Zo kan het calciumcarbonaat van schelpen op verschillende manieren chemisch worden aangetast, een verschijnsel dat wordt aangeduid als Byne' disease. Malacoloog (schelpenkundige) Rob Moolenbeek van het Zoölogisch Museum in Amsterdam: 'De kalk kan worden aangetast door zeezout, door verontreinigingen uit de lucht of door zuren uit het opbergmateriaal. Vooral eikehouten kasten, en tegenwoordig kasten van spaanplaat waaruit formaldehyde vrijkomt, zijn in dit opzicht zeer schadelijk.''

Zelfs de ogenschijnlijk zo robuuste mineralen en fossielen zijn hun leven in het museum niet zeker. In een bijdrage op de themadag getiteld 'Laat de fossielen niet barsten' deed Joop van Veen, assistent-conservator van het Paleontologisch-Mineralogisch Kabinet van Teylers Museum in Haarlem, uit de doeken hoe kwetsbaar deze ogenschijnlijke wonderen van bestendigheid in feite wel zijn.

Van Veen: 'Neem pyriet of gekkengoud, een zeer instabiel ijzer-zwavelmineraal met een fraaie gouden kleur dat vele goudzoekers om de tuin heeft geleid. De ijzersulfide-kristallen vallen op den duur in grijs stof uiteen: melanteriet. Veel mooie fossielen zijn bewaard in pyriethoudend gesteente. Door opname van kristalwater gaan deze fossielen 'bloeien': het melanteriet wordt door de barsten en kraters naar buiten geperst en het grijze poeder wordt zichtbaar. Teylers Museum bezit prachtige 'bloeiende' zeelelies en er zijn al heel wat fraaie pyriet-ammonieten gebarsten, verbrokkeld en verloren gegaan. Ons plesiosaurus-skelet is door melanteriserende pyrietknollen uit elkaar gedrukt. In 1970 is dit fraaie fossiel weliswaar gerestaureerd, maar er zijn bij sommige wervels al weer nieuwe kraters ontstaan.''

Van Veen maakte een rondreis langs instituten in omringende landen om zijn licht op te steken over strategieën om het verval tegen te gaan. Hij ontdekte dat elk instituut zelf op zijn eigen manier wat met het probleem aanmodderde, en dat er van internationale kennisuitwisseling, laat staan systematische, gecoördineerde research niet of nauwelijks sprake was. Van Veen: 'In Duitsland heeft men het zelfs maar bij voorbaat opgegeven om nog pyriet-ammonieten te bewaren. Men maakt daar direct een afgietsel en gooit het origineel weg. Dat is natuurlijk wel erg rigoreus. Er bestaat allesbehalve overeenstemming over de vraag hoe dit verval het beste tegen te gaan. Over de 'pyrietziekte' is het laatste woord nog niet gesproken.''

Etiketten

De lijst van problemen waarvoor conservatoren van natuurhistorische verzamelingen zich gesteld zien, is hiermee nog geenszins uitgeput. Zo zijn veel afsluitingen van potten met dieren op sterk water niet vloeistofdicht, waardoor de alcohol verdampt en de preparaten droog komen te staan; worden etiketten door chemische aantasting onleesbaar, waardoor de wetenschappelijke waarde van de objecten keldert; bedekken schimmels het verenkleed van vogels en de vacht van opgezette zoogdieren. En ga zo maar door.

De museale wereld is zich ook internationaal pas sinds kort van het probleem bewust geworden. Zo vond pas vorig jaar in Madrid het eerste World Congress on the Preservation and Conservation of Natural History Collections plaats, waarbij kennis werd uitgewisseld en alvast een lijst van aanbevelingen werd gedaan. Afgelopen zomer publiceerde de National Science Foundation in de Verenigde Staten bovendien een rapport over het onderwerp, getiteld Preserving Natural Science Collections: Chronicle of Our Environmental Heritage.

Agnes Brokerhof: 'In het buitenland, met name de Verenigde Staten, Canada, Australië en het Verenigd Koninkrijk, is men met het aanpakken van de problemen wat verder dan wij. Aan de andere kant is ook hier in Nederland de nodige know how voorhanden en zijn alle ingrediënten voor het ontwikkelen van initiatieven op het gebied van conservering van natuurhistorische collecties aanwezig.''

Als het aan Peter van Dam van het NNM ligt, zal die kennis uiteindelijk moeten leiden tot een doel dat onder de huidige condities nog utopisch lijkt: het kunnen bewaren van natuurhistorisch materiaal voor een periode van niet minder dan 5000 jaar. Dat zoiets kan, leert hem het voorbeeld van de pyramiden in Egypte. Daarin zijn onder meer gemummificeerde balgen van raven bewaard gebleven, die op vrijwel precies dezelfde manier zijn behandeld als de vogels in de Leidse collectie. Volgens Van Dam komt dat voor een belangrijk deel door het feit, dat ze al die tijd goed in de pyramide hebben opgeslagen gelegen en er al die tijd geen mensen bij zijn geweest.

Van Dam: 'Insekten zijn schadelijk, maar het gevaarlijkste dier voor onze collecties is uiteindelijk toch Homo sapiens. Zo heeft een gast hier eens een type-exemplaar, een stern aan de hand waarvan de hele soort officieel is beschreven, tien meter omlaag laten donderen. En meer in het algemeen, is elke keer dat een object wordt gehanteerd, ook al is het voor wetenschappelijke doeleinden, er vanuit conserveringsoogpunt een te veel. Veel zogenaamd fysische, chemische en biologische problemen moeten we allereerst onszelf aanrekenen. Immers, wij zijn het die de spullen kennelijk niet onder de juiste omstandigheden opbergen. De meeste schade-oorzaken in onze verzameling zijn uiteindelijk terug te voeren op onwetendheid, onverschilligheid en onvoldoende middelen.''

Een stap in de goede richting zal, wat Van Dam betreft, over vier jaar de verhuizing zijn van het NNM naar een nieuw te bouwen behuizing bij het Pesthuis. De collectie zal worden ondergebracht in een twintig verdiepingen hoge toren. Van Dam: 'De ruimtes in die toren worden gasdicht uitgevoerd, zodat alles in een keer ontsmetbaar is. En we doen niet meer aan onzin als ramen. Wat dat betreft gaan we al aardig naar die Egyptische pyramide toe.''