Alleen niveau kan HBO van Universiteit onderscheiden

Staatssecretaris Cohen meent dat de verschillen tussen de typen hoger onderwijs - wetenschappelijk onderwijs en HBO - moeten worden versterkt. Volgens hoger-onderwijsdeskundige Van Vught heeft de staatssecretaris gelijk maar neemt hij daarmee een zware taak op zich.

In veel Westerse landen zijn de laatste jaren de definitieve stappen gezet van elite naar massa hoger onderwijs. Mede als antwoord op de groeiende vraag naar hoger onderwijs is in diverse landen sinds de jaren zestig het binaire hoger onderwijssysteem ontstaan, een systeem waarin, naast de universiteiten, een tweede categorie instellingen in het leven is geroepen. In Groot-Brittannië ontstonden in 1966 de polytechnics, in Duitsland in 1971 de Fachhochschulen en in Nederland begon in 1968 de opmars van ons huidige HBO.

In het recente plan wordt gesteld dat het onderscheid tussen Wetenschappelijk Onderwijs en HBO moet blijven bestaan. Het is echter de vraag of dat zal lukken. Zonder een krachtig overheidsingrijpen zal juist het tegenovergestelde gebeuren: het Nederlands binaire systeem zal dan (evenals dat in Australië en Groot-Brittannië al is geschied) imploderen.

In de literatuur heet dit proces het homogeniseringsstreven dat in elk hoger onderwijssysteem bestaat. Een belangrijke motor die geacht wordt de neiging tot homogeniteit aan te drijven is het proces van academic drift: het streven van hoger onderwijsinstellingen naar de hoogste trap op de academische statusladder. Hoger onderwijsinstellingen zouden, zo luidt de redenering, ernaar streven om uiteindelijk allemaal de positie en kenmerken te verwerven van het type instelling dat verondersteld wordt in de aantrekkelijkste omstandigheden te verkeren. In nagenoeg alle hoger onderwijssystemen is dat de research university.

Een tweede proces dat tot eenzelfde neiging tot homogeniteit in hoger onderwijsstelsels leidt is het proces van vocational drift. Die duidt op het toenemende streven van hoger onderwijsinstellingen om meer en meer opleidingen met een sterke beroepsgerichtheid te ontwikkelen. Zo trachten hoger onderwijsinstellingen zich te vergewissen van een zo groot mogelijke instroom van nieuwe studenten en, dus, van zo veel mogelijk financiële middelen. Beide processen leiden, aldus de theorie, tot een immanente dynamiek in hoger onderwijssystemen in de richting van homogeniteit. Op den duur zal aldus slechts één type hoger onderwijsinstelling bestaan, waarin enerzijds de waarden, normen en prioriteiten van de research university gelden en waarin anderzijds de beroepsgerichtheid van veel opleidingsprogramma's een duidelijke karakteristiek is.

Gezien het bovenstaande zijn de recente ontwikkelingen in Australië en het Verenigd Koninkrijk (waar het binaire stelsel is verdwenen) niet onbegrijpelijk. Het emancipatiestreven van de Australische Colleges of Advanced Education en de Britse Polytechnics (het proces van academic drift) en het gelijktijdige streven van de Australische en Britse universiteiten om meer beroepsgerichte programma's aan te bieden (het proces van vocational drift) hebben de implosie van het binaire stelsel in deze landen aanzienlijk versneld. Zowel in Australië als in het Verenigd Koninkrijk stelde de overheid zich al vele jaren op het standpunt dat in de hoger onderwijsstelsels in deze landen weliswaar twee verschillende sectoren te onderscheiden waren, maar dat deze sectoren gelijkwaardig waren.

Er is evenwel ook een andere beleidslijn van de overheid mogelijk, zoals het voorbeeld van de Amerikaanse staat Californië laat zien. Daar stelt de overheid zich op het standpunt dat de drie onderscheidbare sectoren van het Californische hoger onderwijsstelsel niet gelijkwaardig zijn. Integendeel, de Californische overheid heeft in duidelijke regelgeving aangegeven dat de hoger onderwijsinstellingen in alle drie de sectoren hun eigen taken en bevoegdheden hebben en dat 'grensoverschrijdingen' niet zijn toegestaan. Op deze wijze tracht de Californische overheid de processen van academic en vocational drift te beteugelen.

Tot aan het recente ontwerp-HOOP leek het er meer op dat wij in het Nederlandse hoger onderwijsbeleid de Australische en Britse ontwikkeling zouden volgen dan dat wij het voorbeeld van Californië zouden overnemen. Of dat sinds het nieuwe ontwerp- HOOP nu echt anders is geworden is nog onduidelijk, maar in elk geval is de discussie over de grensbepaling tussen onze twee typen hoger onderwijsinstellingen begonnen.

In het Nederlands hoger onderwijsbeleid heeft jarenlang hetzelfde uitgangspunt gegolden als in Australië en het Verenigd Koninkrijk, namelijk dat onze universiteiten en hogescholen 'twee verschillende maar gelijkwaardige sectoren' vertegenwoordigen. De staatssecretaris stelt nu dat de verschillen tussen universiteiten en hogescholen moeten worden versterkt. De vraag is dan: aan de hand van welk criterium moet de grens worden getrokken.

Het HOOP wekt de indruk dat het criterium kan worden gevonden in het onderscheid 'oriëntatie op de beroepspraktijk' (HBO) versus 'verwevenheid van onderwijs met onderzoek' (WO). Het behalve op papier ook in de werkelijkheid consequent toepassen van deze scheiding zou echter zeer verreikende gevolgen hebben. Ten eerste zou het een ware uittocht van programma's uit de universiteiten naar de hogescholen impliceren, met als uiteindelijk resultaat enkele zeer kleine universiteiten waar in wezen alleen nog onderzoekers worden opgeleid. Ten tweede zouden de hogescholen zeer omvangrijke 'leerfabrieken' worden waar geen relatie meer zou bestaan met de nieuwe ontdekkingen in de, aan de beroepsopleidingen ten grondslag liggende, vakgebieden. Dit criterium ontkent ook de reeds sinds de middeleeuwen bestaande relaties tussen hoger onderwijs en beroepsgerichtheid.

Het enige effectieve criterium is dat van verschillen in niveau: sommige hoger onderwijsinstellingen leiden op tot een hoger niveau dan andere. Dat is ook het criterium dat in Californië en in de overige VS wordt gehanteerd: sommige instellingen bieden programma's aan tot aan het bachelors-niveau, andere tot aan het masters-niveau, en weer andere bieden een PhD-opleiding.

Als hij consequent wil zijn, zou de staatssecretaris moeten kiezen voor het tot stand brengen van niveau-differentiatie in ons hoger onderwijs. In principe kunnen we zo'n differentiatie op twee manieren realiseren. Ten eerste zou gepoogd kunnen worden een van de twee bestaande typen instellingen te kwalificeren als tot een hoger niveau opleidend dan het andere type. Dat zou impliceren dat we bewust een verschil in status accepteren tussen onze twee hoger onderwijssectoren, dat we de studieduur tussen de beide typen laten variëren en dat we beide typen tot diploma's laten opleiden met een verschillend civiel effect.

Ten tweede zouden de beide bestaande typen eerst als gelijkwaardig en gelijkvormig kunnen worden bepaald (hetgeen dus de opheffing van het binaire stelsel betekent), waarna vervolgens voor de gehele populatie een nieuw (en strikt te handhaven) onderscheid in niveau-categorieën wordt aangebracht. De consequentie van deze keuze zou zijn dat de optie wordt opengelaten dat instellingen in de toekomst in een andere sector terecht komen dan waarin zij nu verkeren.

Beide wegen zijn politiek gezien bijzonder lastig te bewandelen, en zullen veel energie, tact en tijd vragen. Persoonlijk verwacht ik eerder een implosie van het binaire stelsel, en het achterwege blijven van verschillen tussen typen instellingen. Maar de staatssecretaris heeft de eerste stap op weg naar het versterken van verschillen gezet. Daarmee dient hij te worden gecomplimenteerd.