Afpersers van Nutricia beroepen zich op de schijnwereld Gladio

DEN HAAG, 2 DEC. De Haagse officier van justitie mr. D. van den Broek heeft gisteren vier jaar en vijf jaar cel geëist tegen een 44-jarige landmachtmajoor uit Papendrecht en een 38-jarige man zonder beroep uit Roosendaal. Hij acht bewezen dat de twee vorig jaar het bedrijf Nutricia hebben willen afpersen.

De landmachtofficier stelde dat hij nooit het voedingsbedrijf had willen afpersen, ook niet toen hij landbouwgif in een potje babyvoeding spoot, zo betoogde hij gisteren voor de voorzitter van de Haagse rechtbank, mr. L. Verheij. Hij had het alleen gedaan om mede-verdachte De W. te laten inzien hoe absurd het plan was. “Geef maar aan je kinderen”, had hij er bij gezegd. Volgens hem zou het afpersingsplan “toch niet lukken”.

De officier houdt het er niettemin op dat beide mannen uit geldbejag Nutricia in Zoetermeer wilden afpersen. De verdachten beriepen zich op hun lidmaatschap van de uiterst geheime Gladio-organisatie. Zij moesten voor Gladio - in geval Nederland door een vreemde mogendheid zou worden bezet - informatie verzamelen en destabiliserende acties tegen die eventuele vijand ondernemen.

Negen jaar geleden recruteerde de majoor de nu 38-jarige De W. voor Gladio. De W. had als vrijwilliger bij het korps commandotroepen bijgetekend. De majoor voelde zich ten tijde van de afpersing nog steeds verantwoordelijk voor De W. Raadsman van de majoor, mr. D. Vermaat, vindt het begrijpelijk dat de majoor nooit de politie had ingelicht over de plannen van De W. Het laatste wat een Gladio-agent zou doen, was naar de politie stappen. Volgens de advocaat van De W., mr. J. Boone, was de houding van B. kenmerkend voor de schijnwereld waarin de Gladio-agenten terecht waren gekomen. Een operatie als het afpersen van Nutricia door te dreigen potjes kindervoeding te vergiftigen werd door B. niet als immoreel afgekeurd.

Vermaat wees erop dat uit het optreden van B. bleek dat hij ook niet geloofde dat 'fouten' in deze zaak tot een vervolging zouden leiden.

Wanneer in het verleden Gladio-agenten met de politie in aanraking kwamen, konden zij terugvallen op een overeenkomst tussen Justitie en Defensie. Een 'groene pas' gaf aan dat de houder ongemoeid moest worden gelaten. De identiteit van de pashouder kon bij de Koninklijke Marechaussee worden geverifieerd. Volgens de majoor waren verscheidene acties in het verleden fout gegaan, zonder dat dit tot vervolging van de betrokkenen leidde. Er bestond een aparte functionaris bij de organisatie die eventuele problemen met Justitie rechttrok. Ook nu zou B. er volgens zijn advocaat van zijn uitgegaan dat hij niet vervolgd zou worden.