Aalscholvers doen het niet meer zo best rond het IJsselmeer

De snel gegroeide aalscholverpopulatie in ons land lijkt tegen zijn plafond aan te lopen. De afgelopen zomer kwamen rond het IJsselmeer opvallend weinig jongen groot, hooguit eentje per vijf broedparen. Dat meldt Rijkswaterstaat-bioloog Mennobart van Eerden in het maandblad Van Nature van Natuurmonumenten.

De aalscholver gold als hèt succesverhaal in de Nederlandse natuurbescherming. Vanuit de Oostvaardersplassen, een ideaal broedgebied pal aan het water, heroverde de soort ons land. Tussen 1978 en 1992 nam het aantal broedparen toe van zo'n 4.500 naar 20.700 en het aantal kolonies van 5 naar 23. Verreweg de meeste vogels (80 procent) zijn te vinden in vier grote kolonies rond het IJssel- en Markermeer, namelijk in de Oostvaardersplassen, de Lepelaarplassen, het Naardermeer en Wanneperveen. De afgelopen jaren leek het aantal vogels in deze grote kolonies min of meer constant en vond verdere uitbreiding vooral elders plaats (rond Rotterdam, bij Pannerden en aan het Veerse Meer). In het Naardermeer, waar in de jaren tachtig nog regelmatig meer dan 4000 paar aalscholvers werden geteld, liep de stand in korte tijd hard achteruit: nog maar 1875 paar in 1993.

In de jaren veertig vlogen uit een nest regelmatig vier tot vijf jongen uit, tegenwoordig ziet men dat nog maar zelden. Er worden nog steeds drie tot vijf eieren per nest gelegd, maar het aantal vliegvlugge jongen is veel kleiner dan vroeger. Afgelopen zomer bracht geen enkel paar in het Naardermeer vier jongen groot, hoogst zelden zag men er drie, meestal maar eentje of helemaal niets. De broedresultaten rond het IJsselmeer waren in 1993 extreem slecht, met maar één vliegvlug jong per vijf broedparen.

Als oogjager is de aalscholver voor zijn visvangst aangewezen op helder water. In het IJsselmeer, waar het water jarenlang al op 40 tot 60 centimeter diepte troebel werd, hebben de vogels een zeer efficiënte sociale strategie ontwikkeld. Ze vliegen gezamenlijk vanuit hun kolonie naar de voedselgebieden, vaak met honderden, soms wel met duizenden tegelijk, om de scholen vis op te zoeken. Sommige vogels duiken de schemering in en jagen de vissen op naar het licht, waar ze dan door collega's worden gevangen. De vissen hebben hiertegen geen verweer. De aalscholver jaagt met een snelheid van een tot twee meter per seconde, wat de maximumsnelheid van de prooivis is. Eenmaal vluchten lukt nog wel, tweemaal kan de vis net opbrengen, maar de derde maal is hij verloren. Het sociaal vissen is dan ook, zeker in het troebele IJsselmeer, zeer efficiënt. In het IJsselmeer, dat vervuild is, voedselrijk en rijk aan vis, vinden ze veel van hun gading.

Door allerlei milieumaatregelen ontstaat echter geleidelijk een meer natuurlijke situatie. Het water wordt minder bemest en op den duur zal de visstand, nu wel 200 tot 400 kilo per hectare, vermoedelijk teruglopen. In het sinds 17 jaar afgesloten Markermeer is die ontwikkeling al gaande. De aalscholverkolonie uit het Naardermeer vliegt nu vaker dan vroeger naar het Gooi- en Eemmeer, naar de Vechtplassen of naar een noordelijker deel van het IJsselmeer. Dat alles vraagt meer energie en betekent dat de aalscholvers langer van het nest af zijn.

Toch is daarmee volgens Van Eerden het opvallend slechte broedresultaat van de afgelopen zomer niet verklaard. Aan het weer kan het in elk geval niet gelegen hebben. Maart en april waren mooie maanden, hooguit was het eind van het broedseizoen iets te koud.

Opvallend is dat het met de spiering in het IJsselmeer ineens erg slecht gaat. De stand bereikte deze zomer een dieptepunt sinds 25 jaar. Voor veel watervogels, waaronder Zwarte stern, Fuut, Nonnetje en Grote zaagbek, zijn de gevolgen dramatisch. Spierinkjes vormen het voornaamste voedsel voor de kuikens.

Waarom de spieringstand is ingestort blijft de vraag. Van overbevissing is volgens Rijkswaterstaat geen sprake en een ziekte of parasiet is niet gevonden. De gevolgen zijn vèrreikend. Bij een lage spieringstand kunnen de watervlooien zich goed ontwikkelen, worden veel algen weggegraasd en neemt de helderheid in het meer flink toe, tot 1,5 á 2 meter doorzicht. Mogelijk hebben de vissen in helder water meer verweer tegen de sociale visstrategie van de aalscholverkolonies, omdat ze eerder kunnen vluchten en bovendien dichter bij de bodem zwemmen waar ze lastiger te vangen zijn.

In de toekomst zal vermoedelijk ook een veranderend binnenvisserijbeleid zijn weerslag hebben op de aalscholverstand. Als de huidige overbevissing op roofvissen als baars en snoekbaars in het IJsselmeer vermindert, leidt dat tot meer roofvissen en minder prooivissen voor visetende vogels. Zo heeft een beter visserij- en milieubeleid onbedoelde neveneffecten op de natuur.