Vervuiler aansprakelijk voor lozingen

MAASTRICHT, 1 DEC. Burgers, belangenorganisaties en overheidsinstanties hebben de laatste jaren diverse mogelijkheden gekregen om bedrijven aansprakelijk te stellen die via het oppervlaktewater schade veroorzaken.

Volgens mr. L.J.A. de Vries van het Instituut voor Milieuschade dat is verbonden aan de Erasmus Universiteit, kan een burger die schade ondervindt van een vervuiler van de Maas, naar de Belgische of de Nederlandse civiele rechter stappen. Die kan het bedrijf in een ander land dwingen om op te houden met het veroorzaken van die schade.

Een recent voorbeeld is het kort geding van de stichting Reinwater tegen de Belgische staalfabrikant Cockerill Sambre. De rechtbank in Maastricht verplichtte Cockerill om twee keer per maand alle cijfers over lozingen van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) aan Reinwater ter inzage te geven. Eerder had Reinwater het teerverwerkende bedrijf Sopar in Zelzate via de rechter verplicht het lozen van PAK's op de Schelde drastisch terug te dringen. Met die juridische mogelijkheid achter de hand hebben zeventien Nederlandse Maasgemeenten en twee waterwinbedrijven zich vorig jaar verenigd in het Project Onderzoek Maas. Onder leiding van de Rotterdamse wethouder drs. P. Hoogendoorn probeert een stuurgroep Waalse bedrijven te bewegen tot het terugdringen van de lozingen van afvalstoffen. Doen ze dat niet, dan riskeren zij een procedure die door de bij het project aangesloten gemeenten wordt aangespannen.

Een andere mogelijkheid is volgens De Vries dat een overheid, in het geval van de Maas de Waalse regering, wordt aangesproken omdat ze nalatig blijft in het stellen van regels, terwijl ze zich daar internationaal toe heeft verplicht. Dat is mogelijk sinds het Frankovich-arrest dat twee jaar geleden werd uitgesproken door het Europese Hof in Luxemburg. Het Hof bepaalde toen dat een lid-staat schadeplichtig is ten aanzien van een burger, die de dupe wordt van de nalatigheid van die staat.

Volgens De Vries is in Wallonië sprake van een dergelijke nalatigheid: “De richtlijn voor het oppervlaktewater die de EEG in 1976 heeft uitgevaardigd, is in Wallonië maar zeer ten dele ten uitvoer gebracht. Bovendien heeft België een eigen wetgeving waarin staat dat de kwaliteit van het oppervlaktewater aan bepaalde normen moet voldoen. De Waalse overheid schiet duidelijk tekort in het uitvoeren van die doelstellingen.” Voor een bedrijf met een vergunning kan die houding van de overheid wel eens de onaangename consequentie hebben dat het toch veroordeeld wordt tot een schadevergoeding, zoals is gebeurd met de Franse kalimijnen. Zij hadden een vergunning, maar die was volgens de rechter zo ruim opgesteld, dat Nederlandse tuinders daar niet de dupe van werden.

Ten slotte duidt De Vries ook op de mogelijkheid dat overheidsinstanties of burgers zich wenden tot de Europese Commissie met het verzoek hun klacht over de niet-naleving van Europese regels voor te leggen aan het Europese Hof in Luxemburg. Die beoordeelt vervolgens of de lid-staat in strijd met de Europese verdragen heeft gehandeld.