Vergelijking Indiëganger met SS-er moet mogen

De Groningse officier van justitie heeft opdracht gekregen de schrijver G. Boomsma en een journalist te vervolgen wegens smaadschrift. Boomsma heeft in een interview het optreden van Nederlandse soldaten in Indonesië in sommige opzichten vergeleken met dat van SS'ers.

De opdracht tot vervolging is juridisch onjuist en is tevens een inbreuk op de persvrijheid, betoogt staatsrechtgeleerde De Meij.

In de kranten werd bericht dat de schrijver G. Boomsma en een journalist van het Nieuwsblad van het Noorden vervolgd zullen worden wegens smaadschrift. Dit wegens een interview over een nieuwe roman, waarin de schrijver zijn vaders betrokkenheid bij de politionele acties in Indonesië behandelt. In het interview had Boomsma over de Nederlandse soldaten onder meer gezegd: “Ze waren geen SS'ers, nee, ook al konden ze door de dingen die ze deden er wel degelijk mee worden vergeleken.” Die woorden stonden ook, tussen aanhalingstekens geplaatst, als kop boven het kranteartikel. Een oud-militair achtte zich door deze publikatie beledigd, maar zijn klacht werd door de justitie in Groningen geseponeerd. De klager wendde zich daarop tot het gerechtshof in Leeuwarden, dat de officier van justitie in Groningen opdracht gaf om alsnog tot vervolging over te gaan.

Deze opdracht is een inbreuk op de persvrijheid en een belemmering voor een open discussie over het koloniale verleden. Artikel 10 van de Europese conventie voor de rechten van de mens stelt strikte grenzen aan beperkingen van de persvrijheid, ook in verband met veronderstelde beledigingen. In de jurisprudentie van het mensenrechtenhof in Straatsburg is steeds herhaald, dat persvrijheid ook de vrijheid omvat om dingen te zeggen die de samenleving 'offend, shock and disturb'. Bij de discussie over politieke zaken is er grotere vrijheid dan wanneer het over individuele burgers gaat. Scherpe bewoordingen en ongezouten kwalificaties zijn toegestaan. Waardeoordelen verdienen een grotere mate van vrijheid dan gestelde 'feiten'. Zo werd bijvoorbeeld de typering door een Oostenrijkse journalist van bepaalde uitingen van een politicus als nazistisch door het hof in Straatsburg aanvaardbaar geacht.

Het gaat in het boek van Boomsma en in het daaraan gewijde interview over een gevoelige politieke kwestie: de geweldexcessen bij de politionele acties. De schrijver noemt in dit verband onder andere martelingen bij verhoren, executies van gevangenen, platbranden van dorpen. Dat zulke handelingen zijn voorgekomen is algemeen bekend uit diverse publikaties van gerenommeerde auteurs. Waar het gerechtshof over valt is de vergelijking met het optreden van de SS in de Tweede Wereldoorlog. De schrijver heeft ter verdediging hiervan gewezen op de vele oud-SS'ers die bij de politionele acties zouden zijn ingeschakeld en op de slogan van de tegenstanders in die jaren: “Maak van onze jongens geen SS'ers!”

Afgezien van zulke concrete voorbeelden ligt een vergelijking met de Duitse bezetting voor de hand. Hoe was het toch mogelijk dat Nederland zo kort na de eigen bevrijding het onafhankelijkheidsstreven in Indonesië desnoods met geweld wilden stoppen?, zo was een vraag van studenten. Als Boomsma een stap verder gaat en bij de geweldexcessen naar de SS verwijst, lijkt mij die vergelijking niet ongerijmd, omdat juist die SS zoveel wreedheden heeft begaan.

Men kan de vergelijking overdreven noemen, maar een schrijver hoeft niet elk woord te wikken en te wegen. Hier is sprake van een waardeoordeel, waarvan het Straatsburgse hof zegt dat de mate van bescherming groot behoort te zijn. Het is overigens geen losse kwalificatie, doordat Boomsma in boek en interview beschrijft hoe zijn vader geleden heeft onder schuldgevoelens over zijn betrokkenheid bij wandaden. Naast de vergelijking met handelingen van SS'ers wordt er ook verwezen naar oorlogsmisdrijven in Vietnam. Ik denk dat het mensenrechtenhof geen problemen zal hebben met de pregnante vergelijking van Boomsma. In uitspraken over soortgelijke zaken heeft het Hof veroordelingen door nationale rechters wegens belediging aangemerkt als 'een soort censuur'. Dat geldt, lijkt mij, ook voor het gebod tot vervolging van het gerechtshof, want dit heeft wat men in de VS noemt een 'chilling effect' op auteurs en journalisten. Volgens een krantebericht zou de procureur generaal bij het gerechtshof de schrijver meer dan een half uur de oren gewassen hebben wegens deze schanddaad.

Opvallend is ook het gebod tot vervolging van de journalist in kwestie. Die heeft niets anders dan zijn normale taak gedaan: een weergave van de meningen van de schrijver. Uit de strafrechtjurisprudentie blijkt dat een journalist die aantijgingen van een persoon alleen weergeeft in principe vrijuit gaat, tenzij hij eventuele beledigingen 'tot de zijne maakt'. Dus als hij de spreker duidelijk bijvalt. Bij een normaal verslag kan hiervan geen sprake zijn. Vervolging zoals hier is opgedragen betekent een inbreuk op de vrijheid van de pers.

Ten slotte nog een ander punt, namelijk dat het gerechtshof hier uitgaat van een ernstig vermoeden van smaad(schrift). De klager in kwestie is een oud-militair die aan de strijd in Indonesië heeft meegedaan. Deze kan naar niet gezien worden als iemand die door de uiting in kwestie beledigd is in strafrechtelijke zin, want hij is maar een onderdeel van een grote collectiviteit van personen (alle militairen die aan de acties deelnamen). De klager wordt door Boomsma niet met name genoemd of herkenbaar aangeduid. Van belediging van leden van collectiviteiten kan slechts sprake zijn bij de specifieke delicten die het kwetsen van volksgroepen betreffen (met name de discriminatiedelicten van art. 137c-g WvSr). Je kunt wel iemand beledigen door een algemeen klinkende belediging (bijvoorbeeld tegen een bekeurende agent zeggen: het zijn allemaal smeerlappen bij de politie!), maar van zo'n geval is hier geen sprake.

De opdracht tot vervolging lijkt mij dus uit juridisch oogpunt om meerdere redenen onjuist. Bovendien is dit weer een hinderpaal voor een open gedachtenwisseling over het koloniale verleden, zowel over wandaden als over de goede dingen. In de discussie naar aanleiding van de reacties op een voorgenomen familiebezoek van Poncke Princen deze zomer kwam ook het idee naar voren dat premier Lubbers bij een bezoek aan Indonesië onze excuses voor de politionele acties zou aanbieden. Dat zou echter een gratuit gebaar zijn. Die politionele acties waren immers slechts de slotacte van een lange periode van koloniale overheersing, waarin ook andere excessen zijn voorgekomen en een structurele discriminatie van de Indonesiërs. Toen in een recent tv-programma van de NCRV enkele Indonesiërs gevraagd werden naar het bestaan van wrokgevoelens ten opzichte van de Nederlanders, bleek weer hoeveel verder men daar gevorderd is met de verwerking van het koloniale verleden. Een oud-ambassadeur uitte slechts zijn diepe teleurstelling over de vele door Nederland gemiste kansen. Een Indonesische journalist, die had meegemaakt hoe zijn vader uit huis werd gehaald en zonder vorm van proces neergeschoten, zei dat hij met wraakgevoelens niet leven kon.

De door het Leeuwardense gerechtshof opgedragen vervolging is uit oogpunt van de persvrijheid onjuist, maar tevens kwetsend voor de Indonesiërs.