Tandvlees en tong op bevel pijnigen tot bloedens toe

Farewell To My Concubine. Regie: Chen Kaige. Met: Leslie Cheung, Zhang Fengyi, Gong Li. In 6 theaters.

Twee figuren begeven zich op de toneelvloer van het verlaten theater van Peking. Ze zijn in vol opera-ornaat en cineast Chen Kaige benadrukt de uitzinnige weelde van kostuums, sieraden en maskerachtige schmink met een gewiekste paradox, namelijk door de twee oude mannen zo sober mogelijk in het beeld te zetten. Een toneelknecht herkent ze: het zijn acteurs, operasterren van weleer, dat wil zeggen uit de periode voor de Culturele Revolutie, tijdens welke, dat zullen we zo ruimschoots zien, de verfijning van de Chinese operakunst grof werd weggehakt als geperverteerde elitekunst. De toneelknecht knipt de lampen aan en de twee acteurs beginnen hun rollen te spelen - voor hem, maar nog meer voor de lege zaal - en de opera uit te voeren die ze in vroeger tijd honderden keren ten beste hebben gegeven: Farewell To My Concubine. Over een koning die zijn rijk aan een rivaal verliest, over zijn minnares die liever aan zijn zijde sterft dan te vluchten en zonder hem te moeten bestaan. Voor het slot van hun voorstelling moeten we wachten op het slot van Chens film. De afloop laat dan niet meer naar zich raden.

De tweede scène is niet minder verpletterend van uiterlijk. We bevinden ons nu niet meer in 1977 maar zo'n vijftig jaar eerder, in 1925. Peking is een woeste plaats die wordt beheerst door krijgsheren. Door een met krachtige vegen en in stuurse winterkleuren opgeroepen, agressieve menigte van venters, boeven en straatslijpers rept zich een vrouw met een jongen in haar armen. Haar zoon. Ze kan in het bordeel waar ze werkt niet meer voor hem zorgen en omdat hij zo'n rank lichaam en zo'n gaaf gezichtje heeft, denkt ze hem moeiteloos te kunnen inleveren bij de school voor opera-acteurs in spe. Maar de school wil geen weeshuis zijn en de vrouw neemt haar toevlucht tot een wanhopige, voor haar zoontje gruwelijke, actie om haar zin door te drijven. Het kind ontdekt nog het eerste uur van zijn jarenlange verblijf op de opleiding dat het geweld van zijn moeder geen naam mag hebben bij wat op deze school aan de orde van de dag is. Uitvoerig, en wat mij betreft tot vermoeiens toe, roept Chen een schilderachtig beeld op van de Dickensiaanse toestanden op de operaschool, waar het bijna altijd vriest en waar de troep jongens in slavernij wordt gehouden. Slaag krijgen ze sowieso op hun door training en urenlange rek- en strekoefeningen beurse lijven, ongeacht of ze goed of niet goed hun best doen. De straffen voor als er werkelijk sprake is van een vergrijp zijn vernederend en wreed: zo kan wie een fout maakt in een dialoog erop rekenen dat een van zijn medeleerlingen het bevel krijgt zijn tandvlees, verhemelte en tong tot bloedens toe te pijningen met een speciaal daarvoor bedoeld instrument. Liefde voor creativiteit, voor muziek en theater brengt geen leraar te berde, het enige dat telt is de leerlingen te vormen tot volmaakt functionerende podiummachines. Ook later in zijn film verblijft Chen opmerkelijk veel in het rumoer achter de schermen van de opera en besteedt hij maar weinig aandacht aan spel en zang op het podium. Het is of die doolhof van de subtiele geste, waar een losse kimonoslip een wereld betekent, een extra lijn om de ogen de hel en de vertraagde buiging van een falsetstem de hemel, te weinig ruimte biedt voor wat zijn op groot en breed en veel toegesneden filmtalent niet kan nalaten te creëren. En dus beeldt hij die voorstellingen vooral uit middels het uitzinnige enthousiasme van het massale publiek.

Dat terreur vruchtbare grond biedt om een keurtroep opera-acteurs te ontwikkelen tot consequent zeer hoog niveau, probeert Chen niet te verklaren. Dat als vaststaand aanwijzen zonder iets waar te maken plaagt Farewell To My Concubine voortdurend. Chen toont, maar hij toont nooit iets aan.

Hij vertelt behalve de geschiedenis van de Opera van Peking tegen de achtergrond van een kleine eeuw politieke ontwikkelingen in zijn land, ook het verhaal van twee mannen. Als kind vonden ze, vanzelfsprekend wederrechtelijk, troost in elkaars armen (zien we), als volwassenen en idolen delen ze hun passie voor de opera (zien we), zijn milieu en zijn minutieuze conventies (zien we), maar loopt hun liefde stuk op een verschil van levenshouding: de een is niet in staat zijn leven te leven als een operapersonage, zoals de ander, voor wie leven en theater hetzelfde zijn (horen we ook nog een keer). Geen reflectie kan eraf over de bruut afgedwongen seksewisseling van de ene jongen omdat hij zo geschikt is voor vrouwenrollen. Zijn homoseksualiteit vertaalt Chen, naar het lijkt gedachteloos, naar geweld en ziekelijke afhankelijkheid, meer weet hij niet. Evenmin besteedt hij aandacht aan het effect van een gewelddadig gevormde jeugd, en niet beschouwt hij nader het verschil tussen passie en liefde, tussen artistieke verwantschap en collaboratie, tussen een moeder die hoer is en een echtgenote uit de prostitutie.

Chen stelde het allemaal met groots visueel vernuft vast en gaf zijn veronderstellingen een plaats in een tamelijk bot en voorspelbaar verhaal. En dat is dat.