Oost-Europeanen in de Navo onder strikte voorwaarden

Een NAVO-lidmaatschap voor Oosteuropese landen is zeer urgent betoogde Jonathan Eyal op 20 november op deze pagina. Een week later verdedigde de Rus Sergej Karaganov exact het tegenovergestelde. M. van der Doel van het instituut Clingendael suggereert nu een tussenoplossing: Oosteuropese landen moeten NAVO-lid kunnen worden mits zij aan welomschreven criteria voldoen.

Een uitbreiding van de NAVO in de richting van Oost-Europa is een zaak van uiterste urgentie wil het Bondgenootschap niet uiteenvallen, zo betoogde Jonathan Eyal op 20 november in deze krant. Waar hij echter aan voorbijging is dat toetreding van nieuwe leden ook gepaard gaat met uitbreiding van verantwoordelijkheden. Is de NAVO nu al bereid om de Poolse grenzen te verdedigen? En zo ja heeft men dan ook de middelen daarvoor? Dit zijn twee kardinale vragen die de NAVO-lidstaten eerst dienen te beantwoorden alvorens men vergaande stappen onderneemt.

Hoe reëel dergelijke vragen zijn bleek in december 1991 tijdens de Golfcrisis. Duits luchtmachtpersoneel dat deel uitmaakte van een NAVO-eenheid moest naar Turkije. De animo hiervoor was onder zowel dienstplichtigen als beroepsmilitairen zeer gering. De Duitse krijgsmacht had zich gedurende de periode van de Koude Oorlog er volledig op ingesteld dat bij een crisis de verdediging van eigen grondgebied in het geding zou zijn. Inzet daar buiten had men tot dat moment slechts als een theoretische optie beschouwd.

Om de interne cohesie binnen het bondgenootschap niet te verspelen, dienen alle lidstaten akkoord te gaan met opneming van nieuwe landen en de daaraan gekoppelde verantwoordelijkheden. Een tweede aspect is de geloofwaardigheid. Het zonder meer verwelkomen van landen als bondgenoot kan de geloofwaardigheid van de organisatie, als verdediger van de westerse democratische verworvenheden, aantasten. Een land als Roemenië bevindt zich immers op het gebied van economische en politieke hervormingen in een totaal andere situatie dan Tsjechië en Hongarije.

Naast deze interne criteria dient de NAVO ook externe criteria te ontwikkelen. Eyal werpt de vraag daarnaar ook op in zijn artikel zonder haar echter te beantwoorden. Overigens is hij niet de enige die om deze hete brij heendraait. Ook de NAVO-lidstaten zelf hebben vele malen dit gelegenheidsargument - het ontbreken van toelatingscriteria - gebruikt om de boot bij nieuwe gegadigden af te houden. Juist het beantwoorden van die vraag zou voor de landen in Centraal- en Oost-Europa meer duidelijkheid scheppen dan het vage plan dat nu voor de NAVO-top van 10 januari aanstaande op de agenda staat. Het plan Partnership for Peace is vlees noch vis, omdat het geen substantiële verbetering brengt voor de Centraaleuropese landen. Het plan biedt geen perspectief op toekomstig lidmaatschap. Uitbreiding van het plan door selectiecriteria op te nemen, zou hieraan tegemoet komen. Voordat van toelating tot een bondgenootschap sprake kan zijn, moet eerst aan een aantal basisvoorwaarden zijn voldaan. Een gemeenschappelijk vertrekpunt is immers van belang. Voldoet het beleid van de aspirant-leden aan de internationale maatstaven zoals vastgelegd in de Akte van Helsinki en het Handvest van Parijs? In dezelfde categorie behoort ook een toetsing van hun democratische gehalte. De veiligheidspolitieke toets zou uit de volgende voorwaarden kunnen bestaan: - De stabiliteit van de vraag. De continuïteit van beleid staat hierbij centraal. Is de wens tot toetreding gebaseerd op de huidige situatie, of is er sprake van een lange-termijnvisie? Veel landen verkiezen in de eerste plaats zo snel mogelijk aansluiting bij het Westen, niet zozeer wegens de Westerse democratische politieke cultuur en verworvenheden, maar meer als gevolg van het internationale krediet dat men daarmee opbouwt en de hoop mee te kunnen delen in de algemene welvaart van West-Europa. Als aansluiting bij veiligheidsorganisaties wordt overwogen is een groot draagvlak, zowel politiek als maatschappelijk, van groot belang. Hoe snel de veiligheidspolitiek van een land kan veranderen bleek in april van dit jaar in Wit-Rusland. In mei 1992 had dit land nog verklaard een neutraliteitspolitiek te willen voeren. Van aansluiting bij de GOS-strijdkrachten was geen sprake. Een jaar later, ofschoon een opiniepeiling uitwees dat 55 procent van de bevolking de neutraliteitspolitiek steunde, sloot Wit-Rusland zich alsnog bij het GOS aan. De economische afhankelijkheid ten opzichte van Rusland gaf hierin de doorslag. Moskou had als voorwaarde voor vergaande economische samenwerking ook nauwe samenwerking op veiligheidsgebied geëist.

- Het veiligheids- en defensiebeleid moet in overeenstemming zijn met de grondbeginselen van het Verdrag van Washington. Men mag immers verwachten van landen die tot de NAVO willen toetreden dat deze de beginselen niet alleen onderschrijven, maar ook in hun nationale beleid opnemen en in de praktijk proberen toe te passen.

- Democratische controle over de strijdkrachten. Tijdens de periode van het communisme was hiervan geen sprake. In de nieuwe situatie is het van belang dat de strijdkrachten onder de politieke leiding van de minister van defensie staan en dat het parlement op een effectieve manier controle op hun doen en laten kan uitoefenen.

- De doctrine, opleiding en training van de strijdkrachten moeten in overeenstemming zijn met het defensieve karakter van het geweldsapparaat.

- Landen die voldoen aan de genoemde criteria, maar in een actueel conflict zijn gewikkeld, kunnen niet zonder meer als lid worden toegelaten. Dit zou tot uitholling van de NAVO kunnen leiden en de bereidheid van de aspirant-lidstaat om tot een snelle politieke oplossing van het conflict te komen, kunnen afremmen.

In zijn column van 23 november stelt Heldring dat uitbreiding van de NAVO, onder meer om Duitsland te 'verankeren', niet onvoorwaardelijk nodig is, maar wèl uitbreiding van de Europese Unie. Op deze manier wordt weliswaar niet voorzien in de veiligheidsbehoeften van de Centraaleuropese landen, maar wordt wel perspectief geboden op welvaart en stabiliteit, aldus Heldring. Als het om de externe stabiliteit gaat, kan dit laatste worden betwijfeld. Gezien de conflictstof in deze regio is er behoefte aan een geloofwaardige veiligheidsorganisatie die pacificerend kan werken en zonodig politiek-militair tegenspel tegen Rusland kan bieden. De centrale vraag op de NAVO-top zou dan ook niet moeten zijn: hoe houden we ze er buiten, maar: hoe halen we ze met goed fatsoen binnen.