Onafhankelijk toezicht

Onafhankelijk toezicht op het verzekeringsbedrijf kan niet worden gemist. Al sedert 1923 berust het toezicht op verzekeringsmaatschappijen bij de Verzekeringskamer. Ook op pensioenfondsen oefent de Verzekeringskamer het toezicht uit. Regelmatige controle moet ontsporingen tegen gaan, hetgeen in het belang is van polishouders. De recente problemen rond de verzekeraar Vie d'Or doen echter de vraag rijzen hoe deugdelijk het toezicht eigenlijk is.

Het Nederlandse toezichtstelsel op verzekeringsmaatschappijen is gebaseerd op controle achteraf, ook wel normatief toezicht genoemd. De tegenhanger daarvan is het materiële toezichtstelsel, waarbij er vooraf controle is op zaken als polisvoorwaarden en premietarieven. Het normatieve toezicht is liberaler, laat meer eigen vrijheid en verantwoordelijkheid aan verzekeringsmaatschappijen zelf en het geeft meer flexibiliteit en meer concurrentie. Door dit laatste is de prijs van verzekeringsprodukten (de premie) vaak scherper dan bij toezicht vooraf mogelijk is. De andere kant van de medaille is, dat toezicht achteraf ook minder veilig is. Deels is dit inherent aan het feit dat de controle pas achteraf plaatsvindt. Bij echte calamiteiten wordt dus pas ingegrepen nadat het kalf is verdronken. Hiernaast speelt een rol dat een scherpe prijsstelling soms een minder gezonde financiële basis van verzekeringsmaatschappijen in de hand werkt.Het toezicht is vooral gericht op het financiële reilen en zeilen van verzekeringsmaatschappijen. Om de Verzekeringskamer tot dit toezicht in staat te stellen, moeten maatschappijen jaarlijks aan de kamer een duidelijke beeld verschaffen over hun financiële toestand. Dit moet vergezeld gaan van een goedkeurende verklaring van een accountant en een verklaring van een actuaris. Bij de beoordeling van deze stukken neemt de Verzekeringskamer in aanmerking dat verzekeringsmaatschappijen over toereikende technische voorzieningen moeten beschikken, alsmede over voldoende vorderingen en beleggingen ter dekking van de technische voorzieningen en dat de maatschappijen ten slotte ook een zekere solvabiliteitsmarge moeten aanhouden. De Verzekeringskamer waakt hiernaast over de kwaliteit van de beleidsbepalers bij een verzekeringsmaatschappij. Hun deskundigheid moet naar het oordeel van de Verzekeringsmaker 'voldoende' zijn.

Heeft de Verzekeringskamer ook sancties? Kan zij wel iets afdwingen? De Verzekeringskamer is bevoegd de vergunning tot uitoefening van het verzekeringsbedrijf in te trekken. Een zware sanctie, die de kamer onder meer kan toepassen indien de solvabiliteitsmarge niet meer op niveau is of de verzekeringsmaatschappij ernstig in gebreke blijft aan de verplichtingen uit de toezichtwetgeving te voldoen. Een ander sanctiemiddel dat de Verzekeringskamer ter beschikking staat is het aanwijzingsrecht. De kamer kan een aanwijzing geven indien zij dat in het belang acht van verzekeringnemers, verzekerden of uitkeringsgerechtigden. De verzekeringsmaatschappij is verplicht de aanwijzing binnen de door de Verzekeringskamer gestelde termijn op te volgen. Geeft de maatschappij geen gehoor aan de aanwijzing, dan kan de Verzekeringskamer haar onder curatele plaatsen. In situaties waarin onverwijld ingrijpen noodzakelijk is, kan de curatele ook zonder eerst een aanwijzing te geven worden opgelegd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze mogelijkheid is gecreëerd voor het geval 'als gevolg van onverwacht grote problemen bij de verzekeraar zijn financiële positie snel verslechtert'. Het lijkt wel voor Vie d'Or te zijn geschreven. Het is hierbij curieus dat de aanwijzingsbevoegdheid in de toezichtwetgeving is opgenomen in reactie op het faillissement van levensverzekeringsmaatschappij 'De Wereld' in 1983. Met de aanwijzingsbevoegdheid zou de Verzekeringskamer een slagvaardig instrument hebben gekregen ter voorkoming van schade voor polishouders. Precies 10 jaar na de ondergang van 'De Wereld' staat Vie d'Or op instorten. De voorzitter van de Verzekeringskamer Vermaat vindt dit misschien geen probleem. Onlangs stelde hij dat het voor de vitaliteit van het verzekeringsbedrijf wel goed is als er af en toe een maatschappij sneuvelt. De vele polishouders zullen hier vast anders over denken. Na het faillissement van 'De Wereld' werden Kamervragen gesteld over de instelling van een garantiefonds voor de polishouders. Er kwam een aanwijzingsbevoegdheid. Wellicht geeft Vie d'Or nieuwe voeding voor de discussie over een garantiefonds.

Bij dit alles staat het overigens nog geenszins vast dat bij Vie d'Or financiële onregelmatigheden zijn gepleegd. Zo die er al zouden zijn, hebben noch de Verzekeringskamer, noch de accountant, noch de actuaris die opgemerkt. En als mocht blijken dat de Verzekeringskamer bepaalde zaken wèl had moeten opmerken? Dan wordt de vraag actueel: wie houdt toezicht op de toezichthouder?