Hoogte 80

Eerst let je nergens op; je leeft gewoon je leventje en leven is een kinderspel. Dan begin je oog te krijgen voor de stad waarin je leeft; het wordt jouw stad. Dan, bij het eerste omzien, bedenk je: er was niets bijzonders aan; je bent er jong geweest en iedereen is ergens jong geweest. En op den duur bespeur je toch weer iets nieuwsgierigs naar die stad.

Ik bedoel Arnhem, de stad op heuvels - 'bulten' zeiden wij eigenlijk, maar dat is zo'n woord dat van je wegdrijft; ik zou erg diep moeten gaan om het nog op z'n Arnhems te kunnen gebruiken.

Ik bedoel Hoogte 80, en ik zal die plek niet ophemelen. Een rare kale puist is het. Bijzonder is alleen een heerlijk vergezicht en van een vergezicht komt niets terecht vandaag. De zon schijnt wel, de lucht is blauw, maar in de laagte hangt een onverbiddelijke mist.

Je ziet maar weinig verder dan het veld van Hup Vites. De lichtmasten staan gebogen als bureaulampen. Daarachter rijst uit goedverborgen diepten hoogbouw op, zo mat en wazig dat je haast zou zeggen: mooi. De rest in nevelen. De groene vlakte van de Betuwe, het dunne zilver van een Rijnbocht en de verhevenheid van Elten, Montferland. Daar woonden ze, daar kwamen ze vandaan, de Duitsers, moffen eigenlijk.

De Elterberg was op de fiets een heel eind weg. Toch was er moed voor nodig als je hier bleef staan.