Geen actie tegen ex-NMB'ers na onderzoek beurs

ROTTERDAM, 1 DEC. Het onderzoek van de Amsterdamse effectenbeurs naar privétransacties van een aantal voormalige topfunctionarissen van de NMB zal niet leiden tot vervolging of ordemaatregelen tegen hen.

Het onderzoek heeft geen belastend materiaal opgeleverd tegen de betrokkenen, ex-bestuurders Ton Soetekouw en Ide van der Boor en drie medewerkers van de NMB Merchant Bank. De vijf moesten in 1991 en 1992 onder druk van De Nederlandsche Bank het veld ruimen.

Wel spreekt de Vereniging voor de Effectenhandel (de officiële naam van de beurs) haar afkeuring uit over het feit dat zij hun beleggingen in de “vrije hand” lieten verrichten door het commissionairshuis Oudhof Effecten, waarin NMB een belang van veertig procent had.

Hoewel de beurs dit niet hardop zegt, vindt zij met name dat de speculatieve en intensieve wijze waarop Oudhof voor de vijf handelde afkeurenswaardig was. Om de schijn van belangenconflicten of handelen met voorkennis te vermijden, hadden zij een andere bank of commissionair de “vrije hand” moeten geven. De vereniging erkent echter tegelijkertijd dat er destijds - dat wil zeggen in de periode 1987-1989 - geen beursregels waren met betrekking tot privé-effectentransacties van bankiers.

De jurist prof. mr. W. van der Grinten, die eerder in een legal opinion zijn oordeel over deze zaak vastlegde, vindt dat de Beurs vooral de hand in eigen boezem moet steken. “Zij heeft de mogelijkheid gehad op dit gebied regels te stellen, maar dat heeft zij niet gedaan”, zegt hij. “Bovendien heeft de beursvoorzitter impliciet zijn toestemming gegeven.” Deze voorzitter, drs. B. baron van Ittersum, was immers al eind 1989 volledig op de hoogte van de vrije-handrekeningen bij Oudhof, maar heeft dit commissionairshuis noch voorzitter Wim Scherpenhuijsen Rom van de NMB Postbank laten weten dat hij het hiermee niet eens was. Van der Grinten vindt de afkeuring die de beurs nu uitspreekt dan ook “te hard, mede omdat dit oordeel geen gewicht geeft aan het feit dat de beurs de zaak zelf heeft laten liggen.” Beurswoordvoerder jhr. H. de Ranitz merkt hierover op dat Van Ittersum de bank en Oudhof “geen verplichtingen kon opleggen aangezien die er niet waren”.

Het oordeel van de beurs dat de NMB maatregelen had moeten nemen tegen het beleggingsgedrag van de vijf slaat volgens een woordvoerder niet op de huidige ING Bank (vroeger NMB Postbank), “maar op de toenmalige voorzitter”, Scherpenhuijsen Rom. Deze wil zelf geen commentaar leveren.

De betrokkenen beraden zich nu op mogelijke stappen tegen de ING Bank, waaronder eventuele juridische acties. Soetekouw: “Ik ben blij dat de feiten nu op tafel liggen.” Wel vindt hij dat de afkeuring van de beurs “merkwaardig” aandoet. Ook stelt hij dat de betrokken autoriteiten - in casu Scherpenhuijsen Rom en Van Ittersum - van de vrije-handrekeningen op de hoogte waren. “De zaak lijkt nu op een situatie waarbij de scheidsrechter achteraf de spelregels vaststelt en vervolgens de uitslag van de wedstrijd bepaalt.”