Frankfort contra Brussel

AMSTERDAM, 1 DEC. Nauwelijks is de strijd om de vestigingsplaats (Frankfort) en de president (Lamfalussy) van het Europese Monetaire Instituut (EMI) beslecht, of er dreigt weer een nieuwe controverse rond dit instituut.

Het dispuut gaat om de mate waarin het EMI, dat op 1 januari van start gaat, een coördinerende rol zal spelen in het monetaire beleid van de lidstaten. EU-voorzitter België stelde bij monde van haar minister van financiën Maystadt onder meer voor om voor de lage inflatielanden in de Europese Unie (EU) een gemeenschappelijke geldgroeinorm vast te stellen. Dit zou er op neer komen dat de Bundesbank haar beleid moet afstemmen met andere centrale banken van de overige lage inflatielanden. Zij zal zich met hand en tand tegen deze inbreuk op haar beleidsvrijheid verzetten. Eerder liet zij reeds weten in de tweede fase van het EMU-proces, dat op 1 januari begint, niet als centrale bank van Europa te willen fungeren. Duidelijke taal! En terecht. Nog steeds kan worden betwijfeld of alle andere lage inflatielanden de beleidsfilosofie van de Bundesbank onderschrijven: inflatiebestrijding 'über alles', zelfs - als het moet - ten koste van de conjunctuur.

De argwaan van de Bundesbank jegens ideeën uit de Brusselse hoge hoed is deze week verder versterkt door het voorstel van de Europese Commissie om in de EU te streven naar een inflatie van 2 à 3 procent.

De Duitse centrale bank streeft echter naar minder dan 2 procent, een doelstelling die overigens ook is omarmd door EMI-president Lamfalussy. Het idee van Delors c.s. kan dan ook worden gezien als een doelbewuste poging de Bundesbank en de EMI tot een andere, soepeler beleidsfilosofie te dwingen. Dit zou echter de geloofwaardigheid van het EMU-proces op het spel zetten. Vandaar dat ook dit idee terecht door de Bundesbank is afgewezen.

Haar vastberadenheid om de inflatie verder terug te dringen, zal de rest van dit jaar opnieuw blijken, zo is onze verwachting. Wij gaan er op grond van de thans beschikbare gegevens van uit dat een volgende Duitse discontroverlaging pas na de jaarwisseling plaatsvindt. Ten eerste omdat de kapitaalmarktrente tijdens en na de vorige discontoverlaging op 21 oktober nauwelijks is gedaald. Ten tweede omdat de D-mark sinds die tijd iets is verzwakt, zowel ten opzichte van de dollar als ten opzichte van sommige EMS-valuta's. Ten derde omdat de geldgroei met 6,8 procent nog steeds boven de norm van 4,5 - 6,5 procent ligt. En ten slotte omdat de inflatiedaling in november van 3,9 naar 3,7 procent (12-maands stijging) meer een gevolg is van de hoge maand-op-maand prijsstijging in november vorig jaar (0,5 procent) dan van een lage stijging in de afgelopen maand (0,3 procent).

Afgezien van nooit uit te sluiten verrassingen - de Bundesbank zorgt hier wel vaker voor - zullen we het de rest van dit jaar derhalve moeten doen met verlagingen van uitsluitend het repo-tarief. DNB lijkt zich hier voorzichtigheidshalve nauw bij aan te sluiten, ondanks de kracht van de gulden (vanochtend 1,1215 gulden per D-mark). De afgelopen week hielden beide centrale banken hun 'beleningstarief' constant op respectievelijk 6,25 en 6 procent.

Bron: Economisch Bureau ING Bank