Donderpreek

Een paar tellen vonkte zijn stem weer toen hij afgelopen maandag in het Britse Lagerhuis voor het oog van de televisiecamera's de minister van Noordierse Zaken, Sir Patrick Mayhew, letterlijk uitmaakte voor leugenaar. Het zwaaiende vingertje en die aanzwellende stem: de regelmatige bezoeker van de kerkdiensten van Ian Paisley kent de dominee niet anders.

De welvarende buurt waar Paisley's godshuis ligt lijkt in de verste verte niet op de arbeiderswijk rond Shankillroad waar zijn aanhang woont en waar de IRA onlangs een vreselijke slachtpartij aanrichtte. Voor de Martyrs Memorial Free Presbyterian Church aan de Ravenhill Road in Oost-Belfast wappert de Union Jack. Dit is de kerk van de dominee die tevens parlementslid is voor de Democratic Unionist Party (DUP). Een partij die, laten we zeggen, niet voorop loopt in de veroordeling van het ook in protestantse kringen veelvuldig gepraktiseerde politieke geweld. De DUP wil Noord-Ierland Brits houden en wel 'tot het einde der tijden', zoals de protestantse prediker het bijbels formuleert.

Op een zonnige zondagmorgen, deze zomer, wordt de bezoeker van de kerkdienst aan de deur ontvangen door een voorkomende, kalende zestiger die iedereen een hand geeft en de onbekende bezoekers allervriendelijkst vraagt het gastenboek te tekenen. Het kerkgebouw is nieuw, maar de kerkbanken, die als een kudde schapen rond de preekstoel staan geschaard, zijn nog even hard als in de oude kerken. De preekstoel zelf is van zo'n enorme omvang dat zelfs de niet klein uitgevallen Paisley er geheel in verdrinkt.

De kerk is slechts voor de helft gevuld. Mannen zijn in het grijs en vrouwen dragen een hoed, maar ze zijn aanzienlijk opgewekter gekleed dan in onze zwarte-kousenkerk. De jeugd is kennelijk niet erg gecharmeerd meer van de Noordierse dominee want bijna iedereen is de vijftig gepasseerd. Nadat Paisley, die zelf ook al ruimschoots de pensioengerechtigde leeftijd heeft overschreden, letterlijk de preekstoel is opgerend, lijkt het wel alsof er niemand anders meer in het kerkgebouw aanwezig is. Alles draait om hem en daarmee wordt beslist niet de Voorzienigheid bedoeld. De kerkeraad die er net nog was, de kerkgangers, ze zijn decoratie geworden, frutsels, alleen en uitsluitend aanwezig ter meerdere eer en glorie van dominee Paisley.

De dominee, die de beschikking heeft over het stemvolume van een stuntverkoper op de markt, fluistert en schreeuwt, fleemt en dreigt. Hij hitst op; hij zaait haat. Zijn afkeer van katholieken laat niets aan duidelijkheid te wensen over. “Burn them. Burn them. Let them be ashes!” buldert hij. Z'n finest hour zou hij beleven als hij voor de televisiecamera in het bijzijn van de paus zou kunnen zeggen: “He is not my brother”. Deze zin, die een paar keer, steeds een paar decibel luider, wordt uitgesproken, wordt gevolgd door een vijf minuten voortdenderende filippica tegen de paus en iedereen die Paisley beschouwt als een vriend van de kerkvorst uit Rome.

Volgens de dominee, die alle registers inmiddels heeft opengetrokken, staan de protestantse Noordieren aan de vooravond van een nieuwe slag in de eeuwigdurende strijd tegen de katholieken. Het schuim staat hem bijkans op de mond als hij roept dat “de strijd waarbij bloed zal vloeien en doden zullen vallen niet ver weg meer is”. Vanuit de kerkbanken klinkt af en toe een instemmend yeah en hallelujah.

Bijna een uur later is de one-man-show plotseling ten einde. De meneer aan de deur is even voorkomend als bij binnenkomst. “Stelt u er prijs op de preek op een cassettebandje toegezonden te krijgen zodat u hem nog eens kunt naluisteren?” Bij de gedachte alleen al lopen de rillingen me over de rug.