Twee Sint-Nicolaasfeesten van Jan Steen

Op 23 juli 1743 werd in Den Haag een schilderij geveild dat voor de toenmalige liefhebbers een goede bekende was: “Een Huisgesin verbeeldende een St. Nicolaasdag, bekend door de huilende Jonge een Gard of Roe in zyn Schoen gekreege hebbende.”

Schepper van dit tafereel was Jan Steen die nog niet zo heel lang daarvoor, in 1679, overleden was. Sinds 1809 maakt het schilderij deel uit van de collectie van het Rijksmuseum in Amsterdam. Het kan zonder meer een topstuk van Steen genoemd worden. In ieder geval is het de allermooiste voorstelling van een Sint-Nicolaasfeest die de schilderkunst heeft opgeleverd. Zo vol warmte en levensecht is de gebeurtenis in scène gezet dat de beschouwer zich bijna lijfelijk bij het gezelschap aanwezig kan wanen. En de herkenbaarheid is aangenaam groot. Steen kon het niet weten, maar hij schilderde ze voor de eeuwigheid: het verwende kleine meisje, de teleurgestelde puber die zich geplaagd ziet met een roe in zijn schoen en het broertje dat zijn braafheid belijdt door voor de haard, uit volle borst, een danklied aan te heffen. Dat zich hier niet ieder jaar drommen ouders met hun kinderen voor staan te verdringen, heb ik eigenlijk nooit begrepen. Alleen al dat verdwaalde schoentje op de voorgrond; je moet wel een hart van steen hebben om daar niet door ontroerd te worden.

Als het voor het schilderij in Amsterdam al niet storm loopt, hoe droef-kalm zal het begin december dan wel niet zijn in de buurt van het minder bekende Sint-Nicolaasschilderij van Jan Steen dat in het museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam hangt. Dat schilderij vertoont vele overeenkomsten met het exemplaar in het Rijksmuseum maar - eerlijk is eerlijk - de Amsterdamse versie blijft Steens meesterproef op dit gebied. De compositie van dat werk is geraffineerder, de kleuren zijn levendiger, de handelingen van de personen beter op elkaar afgestemd. Op het schilderij in Boymans grijpt de huilende jongen naar zijn oor maar het is uiterst onaannemelijk dat hij in zijn positie zojuist een oorveeg heeft gehad. Dan de Amsterdamse jongen: met zijn rechterhand nog stoer in zijn broekzak, veegt hij met zijn vrije hand de tranen van spijt uit de ogen. Het leven van een puber was ook toen al uiterst wisselvallig.

Het Rotterdamse meisje klemt een grote ronde koek tegen zich aan, het Amsterdamse meisje een pop. Een gegeven paard mag je natuurlijk nooit in de bek zien maar volgens mij ben je als kind beter af met speelgoed dan met snoepgoed. Dat laatste verdwijnt, als er al niet gedeeld moet worden, voor je het weet in je mond. De pop is een belangrijke sleutel in de vergelijking tussen de beide schilderijen omdat het niet om een gewone pop blijkt te gaan maar om een beeldje van een heilige. Praktisch in het centrum van het schilderij schittert een kleine Johannes de Doper. Heeft Steen dit opvallend katholieke herkenningsteken op het (iets later geschilderde) Rotterdamse werk bewust weggelaten? Het lijkt erop, temeer daar het schilderij in het Rijksmuseum bij nadere beschouwing nog een tweede heilige blijkt te bevatten: de kleuter op de arm van zijn grote broer heeft een speculaaspop in de vorm van een Sint-Nicolaas in zijn knuistjes. Ook deze heilige ontbreekt op het Rotterdamse werk. Dat laatste schilderij is bovendien aanmerkelijk soberder van sfeer.

Mogelijk heeft Jan Steen twee doelgroepen op het oog gehad. Over de opdrachten aan Steen weten we zo goed als niets; zijn meeste schilderijen maakte hij voor de vrije markt. Ook over het ontstaan van deze twee versies is niets bekend maar het lijkt niet onredelijk te veronderstellen dat de ene een katholieke, de andere een hervormde wand heeft gesierd. Heeft Steen er, als een gewiekst zakenman, voor gezorgd twee versies in voorraad te hebben, volgens het 'elc wat wils'-principe? Slechts voor het oppervlakkige oog vormden de Noordelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw een protestantse natie. Een aanzienlijk deel van de bevolking bleef gewoon katholiek. In de beschutting van het eigen huis wenste het ook zijn eigen symbolen.

Jan Steen zelf was katholiek, zijn vrouw Grietje van Goyen kwam uit een katholiek nest en van zijn eerste kinderen weten we dat zij katholiek gdoopt zijn. Hoe het precies met de praktisering van zijn geloof stond, is onduidelijk. Steens allereerste biograaf, de kunstschilder Arnold Houbraken, heeft daar in zijn 'Groote Schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen' uit 1721 wel zo zijn visie op: “... hy (Steen) was ook van jongs op in de Roomsche Godsdienst opgebrocht, doch stiet maar zelden zyn voet aan den drempel van de Kerk.” Erg katholiek of maar zo'n beetje, Steen leefde in ieder geval in een wereld waarin het protestantisme een belangrijke factor was en uit de zojuist beschreven schilderijen blijkt dat hij zich van die tweedeling terdege bewust was.

De viering van het Sint-Nicolaasfeest was een omstreden zaak in de zeventiende eeuw. Na de reformatie hebben zure predikanten alle moeite gedaan de overheden ertoe te bewegen dat van oorsprong paapse feest te verbieden. Van boetes op het zetten van de schoen tot boetes op het bakken van speculaasbisschoppen, niets was hun te dol. Afdoende bleken de maatregelen allerminst, dat heeft de loop van de geschiedenis genoegzaam aangegeven.

Steen heeft met zijn hok vol kinderen het verfoeide feest zeker uitbundig gevierd. Even zeker is het dat hij zijn eigen kinderen vaak als modellen gebruikte. Sommige kenners van zijn werk gaan zelfs zo ver de schilderijen te dateren aan de hand van de leeftijd van de kinderen. Dat lijkt me nogal gewaagd. Maar je kunt je, staande voor het schilderij in Amsterdam, nauwelijks onttrekken aan de gewaarwording even bij de familie Steen op bezoek te zijn geweest.

Wat zou het mooi zijn als - om te beginnen - het Rijksmuseum dit jaar een drangkoord zou moeten gebruiken om de belangstellenden te geleiden. De ware liefhebber kan dan nog door naar Rotterdam.

    • Eugenie Boer