Teveel privacy benadeelt gezondheidszorg

De Registratiekamer voert de Wet Persoonsregistratie uit om te voorkomen dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van geregistreerde persoonsgegevens. In de praktijk blijkt echter dat het recht op privacy daardoor zo is versterkt dat de maatschappelijke controle en kwaliteitsborging van de gezondheidszorg in het nauw komen. De grens van het recht op privacy is daarmee duidelijk overschreden.

De Wet Persoonsregistraties heeft een loffelijk doel: ervoor te zorgen dat wij niet buiten ons medeweten worden opgenomen in geautomatiseerde gegevensbestanden en dat van geregistreerde gegevens geen oneigenlijk gebruik wordt gemaakt. Uitvoering aan de wet wordt gegeven door de registratiekamer die controleert of gegevensverzamelend Nederland zich wel aan de wettelijke voorschriften houdt.

De registratiekamer kwam de afgelopen weken tweemaal in het nieuws door een uitspraak over de gezondheidszorg. De eerste maal toen de registratiekamer meende dat het vermelden van de ontslagdiagnose op declaraties aan het ziekenfonds - wat reeds jarenlang gebeurt - een schending van het beroepsgeheim zou zijn. De verzekeraars willen via het registreren van de diagnose niet alleen nagaan of de declaratie terecht is, maar ook onderzoek uitvoeren ter verhoging van de kwaliteit van de gezondheidszorg, onder meer door vergelijkingen van regionale verschillen in praktijkvoering. Volgens de Registratiekamer kunnen medisch specialisten zich hieraan onttrekken door een beroep op hun zwijgplicht (NRC Handelsblad van 25 september).

Enkele dagen later kwam de Registratiekamer weer in het nieuws met een verbod op het voorstel van de Geneeskundige Hoofdinspectie om de kwaliteit van de campagne voor de griepvaccinatie te verhogen. Griepvaccinatie richt zich op groepen met een hoog risico, veelal patiënten met hart- en vaatziekten, suikerziekte of chronische luchtwegaandoeningen, waarvoor zij al andere medicijnen gebruiken. Deze patiënten zijn gemakkelijk op te sporen via geautomatiseerde bestanden van apothekers die dan de huisartsen kunnen inseinen wie een oproep voor een griepprik nodig heeft. Wederom meende de registratiekamer dat het doorsluizen van de gegevens van apotheker naar huisarts (die meestal zelf de voorschrijver is), een oneigenlijk gebruik is, omdat de gegevens daar oorspronkelijk niet voor bedoeld zijn (NRC Handelsblad van 29 september).

Tot tweemaal toe blokkeert de registratiekamer op formele gronden het gebruik van gegevens ter bevordering van de kwaliteit en doelmatigheid van de gezondheidszorg. Nu kan men uiteraard discussiëren over de medische gegrondheid van beide voorbeelden, doch deze inhoudelijke discussie ligt buiten de competentie van de Registratiekamer. Ongeacht de ideologie van de ambtenaren van de registratiekamer is de uitkomst duidelijk: de uitspraken van de registratiekamer dwarsbomen pogingen tot controle en kwaliteitsverbetering in de gezondheidszorg. De stellige zekerheid waarmee de voorzitter van de Registratiekamer het griepprikbesluit in een recent interview in Elsevier verdedigt, is dan ook licht verbijsterend.

Ook in een andere situatie, die van de 'Postmarketing Surveillance', ontstaat toenemende spanning tussen de rechten van individuen en het algemeen belang van de bewaking van kwaliteit van geneesmiddelen. Ter verduidelijking: 'Postmarketing Surveillance' is het systeem van bewaking van schadelijke nevenwerkingen van geneesmiddelen nadat deze op de markt zijn gebracht. Voordat een fabrikant geneesmiddelen op de markt brengt, gelden strenge toelatingsprocedures, nationaal en internationaal. Toch gebeurt het wel eens dat een ernstige zeldzame nevenwerking pas duidelijk wordt nadat de medicatie op de markt is gebracht en door zeer grote aantallen mensen wordt gebruikt.

De belangrijkste hoeksteen van de bewaking van geneesmiddelen op onverwachte zeldzame nevenwerkingen is het 'gele-kaartensysteem', dat reeds meerdere decennia nationaal en internationaal bestaat, en genoemd is naar de kleur van de kaarten waarop een arts een nevenwerking kan melden. De meldingen worden in Nederland bijgehouden door het Bureau Bijwerkingen Geneesmiddelen, dat fungeert als een soort '06-11'-nummer voor artsen die geconfronteerd worden met een mogelijke bijwerking van een geneesmiddel. Artsen kunnen het probleem ook telefonisch melden en met medewerkers van dit Bureau bespreken. Het Bureau fungeert dan als een soort 'vraagbaak'.

Dit Nederlandse Bureau heeft een grote internationale reputatie gekregen door de krachtige signalen en meldingen van nevenwerkingen die het van Nederlandse artsen ontvangt. Daarmee heeft dit bureau niet alleen Nederlandse artsen en patiënten, maar ook de internationale gemeenschap herhaaldelijk grote diensten bewezen. De melding noodzaakt echter het vastleggen van enige identificerende gegevens om achteraf via de meldende arts bijkomende medische gegevens te verzamelen teneinde beter te beoordelen of het inderdaad om een nevenwerking ging. Vaak wordt dat pas duidelijk nadat twee of drie gelijkwaardige meldingen met hun bijkomende gegevens onderling zijn vergeleken.

Op basis van de Wet Persoonsregistraties lijkt het plots onontkoombaar dat dit jarenlange goede gebruik van gegevens toestemming vereist van de patiënt. Nu kan het gebeuren dat een patiënt die een nevenwerking op een geneesmiddel ontwikkelt, redenen meent te hebben om dit helemaal voor zich te houden. Dan kan een arts de nevenwerking niet meer adequaat melden, en zijn medewerking niet meer verlenen bij de systematische opsporing van ongewenste gevolgen van medicatiegebruik. Ernstige nevenwerkingen kunnen dan nieuwe slachtoffers maken. De prioriteiten van het individu krijgen een zodanige voorrang dat essentiële kennisontwikkeling ter bescherming van de gemeenschap niet meer mogelijk is. Zelfs vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie - vaak zelf de economische slachtoffers van een 'nevenwerkingenaffaire' - willen minder beperkingen in de mogelijkheid van melding van nevenwerkingen, omdat ook zij uiteindelijk het meest zijn gebaat met het zo vroeg mogelijk kennen van de waarheid.

De grens van het recht op privacy is niet alleen bereikt, maar reeds duidelijk overschreden. In een van de hogervermelde uitspraken stelde de Registratiekamer dat een wetswijziging nodig is zo men persoonsgegevens wil gebruiken voor kwaliteitsbewaking en bevordering in de gezondheidszorg. Een eerste mogelijke oplossing is dus dat wij ons voornemen om met alle betrokkenen een reeks 'herstelwetten' te maken, daar waar de Wet Persoonsregistratie ongewenste gevolgen heeft: de ene maal ten behoeve van de registratie van nevenwerkingen, de andere maal voor het doorgeven van diagnosecodes, een derde maal voor de griepprik, de vierde maal voor de registratie van patiënten met ingeplant kunstmateriaal (hartkleppen of tandvullingen) enzovoort. Intussen kan men zich een paar dingen afvragen: Was het wel de bedoeling om juist in de gezondheidszorg controlemogelijkheden en kwaliteitsborging te bemoeilijken? En moet de bestaande en komende privacy-wetgeving niet vanaf de basis worden aangepast?