Suikergoed

Ik denk dat ik een jaar of zeven, acht was, toen ik op een St.-Nicolaasavond na twee minuten papier afwikkelen en versjes lezen tenslotte een witte poes in mijn handen had - van suikergoed. Dat moest het tenminste wel zijn, want het beest was volstrekt glad en glimmend, en duidelijk toch geen zeep. Hier en daar waren details en gelaatstrekken trouwens opgeschilderd in bruin, dat niets anders dan chocolade kon zijn. Witte chocolade bestond nog niet, en marsepein was altijd wat ruw van oppervlak.

Al jaren had ik mij - nog meer geïnteresseerd in de categorie versnaperingen dan een gemiddeld kind van mijn leeftijd - afgevraagd wat suikergoed nu eigenlijk zou zijn en hoe het smaakte. Aan de hand van de Sinterklaasliedjes en zorgvuldige collationering met de illustraties in het boek waarin deze waren afgedrukt was ik niet tot enig resultaat gekomen. Dat was wel gelukt met de vraag rond pepernoten. In de banketbakkersprodukten die zich in het strooisel bevonden dat op deze dag 's morgens bij het bezoek van de Heilige persoonlijk aan de dan ook zeer bijzondere en particuliere school die ik bezocht werd verspreid, had ik aanvankelijk slechts wat afgeplatte halve bolletjes aangetroffen die in geen enkel opzicht leken op wat ik in genoemde illustraties meende te onderscheiden, en waarvan de smaak ook op geen enkele wijze het begrip 'pepernoot' leek te dekken.

Toen echter bij een latere gelegenheid zich ook onregelmatig gevormd wat groter uitgevallen baksel eronder bevond dat althans uiterlijk overeenkomst met de afbeeldingen bevatte, had ik vastgesteld dat dit dan toch pepernoten moesten zijn, berustend in de al eerder opgedane teleurstellende ervaring dat namen en begrippen wel vaker verwachtingen wekten die om onnaspeurlijke redenen in de empirie van consumptie niet werden waargemaakt.

Ik moet opmerken dat suikerbeesten mij eveneens zeer wel bekend waren. Dat was echter een zelfstandige categorie, omdat mij geen andere vormgevingen van de gebezigde grondstof - gewoon suiker - bekend waren, zoals wel het geval was met chocolade en marsepein. Stukken suikerbeest en chocoladebeest bevonden zich ook in eerder genoemd strooisel, maar deze onregelmatigheid beschouwde ik als een modernisme, omdat van deze materie in de liedjes geen melding werd gemaakt.

Suikergoed - waar wij met zoveel overtuiging van zongen - was echter mijn vriendjes en vriendinnetjes dan kennelijk wel te beurt gevallen, maar mijn richting was het nooit uitgekomen. Ondanks mijn brandende nieuwsgierigheid had ik mij er wel voor gewacht om op informatie uit te gaan. Het besef van statusverlies bij blijken van grove onkunde legde meer gewicht in de schaal.

Op deze avond echter werd mijn voorzichtige politiek in deze gehonoreerd - eindelijk zou het geheimenis van suikergoed aan mij geopenbaard worden.

Aan het eind van de avond werden volgens familiegebruik alle geschenken - en in het bijzonder het 'lekkers' - ingenomen om in de komende weken geleidelijk te worden gedistribueerd. Met spanning verwachtte ik de witte poes.

De dagen gingen voorbij.

Toen was er het ogenblik dat mij met een beroep op mijn jonge verstand werd verteld dat een fort met soldaten uit de speelgoedkast als voor mij minder geschikt geacht recreatiemiddel aan een weeshuis was gegeven. Poes was dezelfde kant opgegaan. De wegen van pedagogiek zijn mij altijd ondoorgrondelijk gebleven.

    • F.E. Frenkel