Spelverruwing en racisme in sport nopen tot publiek debat

De sport vertegenwoordigt een groot belang en vraagt terecht om meer maatschappelijke en politieke erkenning. Tegelijk baren spelverruwing, racistisch en discriminerend gedrag de minister van WVC steeds meer zorgen.

Bij monde van de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité en de Nederlandse Sportfederatie, Wouter Huibregtsen, wordt bij herhaling gevraagd om maatschappelijke en politieke erkenning van de sport. Die oproep kan ik billijken. De sport vertegenwoordigt een groot belang. Dat blijkt alleen al uit de cijfers: maar liefst vier miljoen mensen sporten in georganiseerd verband en 700.000 zijn als vrijwilliger actief. Aan de andere kant wil ik de indruk wegnemen dat er politiek geen erkenning voor de sport is. In mijn beleid heb ik die voortdurend getoond, bijvoorbeeld door de positie van de topsporter te versterken en de rol van de sport in de sociale vernieuwing te benadrukken.

Regelmatige sportbeoefing heeft een positief effect op de gezondheid. En gezonde mensen zijn niet alleen minder vaak ziek, maar functioneren ook beter op het werk en in hun vrije tijd. Bovendien werkt de sport als bindmiddel in onze multiculturele samenleving. Dat blijkt uit diverse projecten. Zo komen jeugdige allochtonen via het project Kleurrijk Atletiek in aanraking met sport. De Nederlandse Volleybal Bond treft speciale voorzieningen om asielzoekers te laten deelnemen aan haar competitie. En de Nederlandse Basketbal Bond heeft met haar campagne Pleintjesbasketbal in de roos geschoten. Van een andere orde, maar even aansprekend zijn de initiatieven van de KNVB met gehandicaptenvoetbal.

Maar elke medaille heeft een keerzijde. De potenties van de sport staan onder druk: spelverruwing, racistisch en discriminerend gedrag op de velden en tribunes, grote aantallen sportblessures en het gebruik van stimulerende middelen. Vooral de spelverruwing baart zorgen. Of die de laatste tijd toeneemt, kan ik niet beoordelen. Wat ik wèl kan beoordelen, is dat er ontoelaatbaar gedrag op de velden voorkomt. Spelers, scheidsrechters en toeschouwers lopen hierdoor gevaar. Ik denk dat dit gedrag ook mede het tekort aan scheidsrechters en de uitval van (jeugdige) sporters verklaart. Sommige overtredingen reken ik zelfs niet meer tot de riscio-aanvaarding, die nu eenmaal eigen is aan de beoefening van sport. Elleboogstoten bijvoorbeeld. Die duid ik aan als een onrechtmatige daad of - sterker - een strafbaar feit. En moeten dan ook via de rechter bestraft worden. Zeker wanneer de sportbond zelf geen actie onderneemt.

In het belang van de sport roep ik op tot een publieke discussie over het tegengaan van deze verschijnselen. Daartoe zal ik een aantal organisaties en personen uitnodigen voor een debat. Maar ik hoop ook dat sportverenigingen deze discussie in hun eigen gelederen voeren. Het resultaat kan zijn dat sportorganisaties zich actiever opstellen in de strijd tegen spelverruwing, waartoe ik ook discriminerend en racistisch gedrag reken. Sportbonden kunnen omschrijven welk gedrag de normale risico-aanvaarding overschrijdt. Met die omschrijving kunnen zij werken bij opleidingen van trainers en scheidsrechters en bij uitspraken van tuchtcommissies. Hierbij kunnen sportbonden hogere prioriteit geven aan de bestraffing (en opsporing) van daders.

Ik hoop en verwacht dat de sport mijn oproep beantwoordt. Een maatschappelijk volwaardige sector moet ook 'lastige' discussies durven voeren. Eén opmerking tot slot. Politici uiten regelmatig hun bezorgheid over negatieve ontwikkelingen in onze samenleving. Vaak gebeurt dat met een verwijzing naar de normen en waarden zoals die vroeger golden. Mijn oproep doet vooral een beroep op het bundelen van de positieve krachten. Ik denk dan aan het voorhouden van goede voorbeelden en inspirerende uitingen van tolerantie en samenwerking. Juist daarin ligt de kracht van de sport.

    • Hedy D'Ancona