Singapore wil met cultuurpolitiek Babel vermijden

De drie miljoen inwoners van Singapore vormen een cultureel mozaïek. Ondanks een traditie van segregatie heeft de stadstaat inmiddels een culturele identiteit.

SINGAPORE, 30 NOV. De drie tv-kanalen van de Singapore Broadcasting Corporation (SBC) bieden om half negen 's avonds een Aziatisch Babel. Op SBC 5 zingt John Denver Old Road, West Virginia. John vertelt hoe hij onlangs in Peking een Chinese ballade zong, waarvan hij nu helaas de tekst kwijt is. Het gesprek wordt gevoerd in het Engels en ondertiteld in het Maleis. Op SBC 8 - volgens de Kantonezen een geluksgetal - brengt een strak gerokt sterretje een rock-ballade in het Mandarin, ondertiteld in Chinese karakters. Terwijl 8 pauzeert met een aankondiging van een serie Tamil-speelfilms, brengt SBC 12 de beursberichten, in het Engels en zonder ondertitels.

Op de vreemdeling mag deze mediamieke momentopname overkomen als spraakverwarring, in werkelijkheid is dit het resultaat van een weloverwogen taal- en cultuurpolitiek. Volgens de volkstelling van 1990 telt de stadstaat Singapore 3,02 miljoen inwoners, van wie 77,7 procent staat geboekt als Chinees, 14,1 procent als Maleier- Maleis sprekende moslims, verwant aan de Indonesiërs en Maleisiërs - 7,1 procent als Indiër en 1,1 als 'anderen'.

Sir Stamford Raffles, de stichter van Singapore - de naam is Sanskrit en betekent Leeuwenstad - landde in 1819 op een vrijwel onbewoond jungle-eiland met niet meer dan tweehonderd inwoners: voornamelijk verwanten van het Maleise dorpshoofd, dertig Chinese boeren en een handjevol Orang Laut (zeevolk), vissers en zeerovers die op hun boten leefden. De overgrote meerderheid der Singaporezen stamt af van immigranten uit Zuid-China, het schiereiland Malakka en Zuid-India.

Het Maleis, tijdens de koloniale periode de contacttaal bij uitstek, is tegenwoordig de taal van het protocol, waarin ook het volkslied is geschreven: Majulah Singapura (Voorwaarts Singapore). De meeste opschriften zijn echter gesteld in een van de andere officiële talen: het Engels, Chinees en Tamil. De lingua franca is tegenwoordig Engels, of beter 'Okaylah', Singlish, een met Maleise en Chinese woorden gekruide variant.

Van het begin af aan bestond de grootste groep immigranten uit Chinese handelaren en contractarbeiders, gevolgd door Maleiers - uit Johor, Riau, Batavia en Malakka - en Indiërs - aanvankelijk soldaten en veroordeelden, later rubbertappers en koffieplukkers. De Chinezen behoorden tot twee categorieën: Straits Chinese uit Malakka en immigranten uit China. De eersten spraken Maleis en hadden dikwijls Maleise vrouwen. Deze peranakan (afstammelingen) hadden een eigen cultuur, die nu bijna is uitgestorven. Zij beheersten vaak een beetje Engels en waren de eerste Chinezen die het maakten in Singapore.

De jongste lichting Chinezen is van de tweede generatie, kinderen van nieuwkomers na de Tweede Wereldoorlog, die Singapore verkozen boven de Volksrepubliek China, maar de meesten zijn derde of vierde generatie. Homogeen is de Chinese bevolking nooit geweest. Zo'n tweevijfde spreekt Hokkien en komt uit Fujian (Zuid-China). Zij zijn de zakenlui bij uitstek. Ongeveer eenvijfde bestaat uit Teochew uit Swatow, aanvankelijk contractarbeiders en nog steeds sterk vertegenwoordigd onder de havenwerkers van Singapore. Ten slotte zijn er de Kantonezen, doorgaans ambachtslui, en de mensen van het eiland Hainan, die vooral werkzaam zijn als huishoudelijk en hotelpersoneel.

Toen Singapore in 1965 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië beschikte de People's Action Party (PAP) van premier Lee Kuan Yew over een comfortabele meerderheid in het parlement. Dat gaf de PAP een grote vrijheid bij de realisering van haar maatschappij-ontwerp voor Singapore. Hoog op de lijst stond het omsmeden van deze multi-raciale, koloniale samenleving tot een moderne natie.

Een en ander werd met grote voortvarendheid aangepakt: via gladde tv-campagnes - met zulke aanstekelijke deunen als 'We-are-Singapore; Hear-the-lion-roar' - via het onderwijs en een zeer actief spreidingsbeleid.

Het belangrijkste instrument was en is het tweetalige onderwijs. De in de Britse tijd gescheiden Chinese, Maleise en Tamil-scholen zijn nu varianten van een standaard-curriculum met Engels als verplichte tweede taal. Er is ook een geheel Engelse variant, die, omdat de voertaal in de zakenwereld Engels is, steeds populairder wordt. De Chinese bevolking wordt verplicht om Mandarin (Hua-Yu) te leren, de taal die wordt gesproken in Peking en omgeving en die via het lesrooster van de Chinese variant uiteindelijk de dialecten moet vervangen.

Tijdens zijn laatste bezoek aan Singapore, in 1822, gaf Raffles zeer precieze instructies voor de ruimtelijke ordening van 'zijn' havenstad. Hij wenste een strenge segregatie met afzonderlijke buurten voor Europeanen, Chinezen, Boeginezen, Arabieren, Maleiers en Chulias (Indiase moslims). Chinatown, Little India en Arab Street herinneren nog aan die politiek. In de jaren zestig was dit koloniale vestigingspatroon nog goeddeels intact: stadswijken met shophouses van Chinezen, Indiërs en Arabieren en kampongs met houten paalwoningen van Malays.

De PAP-regering begon in 1960 met een ambitieus programma voor de sanering van oude stadswijken en kampongs en hervestiging van de bewoners in flats, gebouwd door de Housing and Development Board (HDB), een overheidslichaam. Dat proces is inmiddels voltooid; op het eiland zijn de traditionele paalwoningen nagenoeg verdwenen, heel wat shophouses zijn gesloopt en de skyline van Singapore wordt beheerst door hoogbouwblokken. Voor de Chinese en Tamil-huurders van kamertjes in overbevolkte winkelwoningen in de stad was de overgang minder groot dan voor de Maleiers. Binnen een generatie zagen zij hun dorpen vervangen door HDB-flats, waar het kerngezin de leefeenheid vormt en de buren afkomstig zijn uit andere bevolkingsgroepen. HDB-flats worden gekocht op afbetaling en mogen alleen worden doorverkocht aan mensen uit dezelfde bevolkingsgroep om de uitgekiende verhouding van Chinezen, Maleiers en Indiërs niet te verstoren en getto-vorming te voorkomen.

Een Maleise journaliste: “De vanouds minder ondernemende Maleiers moesten zich aanpassen aan de meerderheid, en dat was een traumatisch proces. Van hen werd verwacht dat zij oude waarden als een hecht familieleven, tevredenheid en religiositeit inruilden voor materialistische ambities. Met hun traditionele gemeenschapsleven raakten de Maleiers hun culturele zelfvertrouwen kwijt. Lange tijd droegen ze het stigma van de minst succesvolle groep en dat leidde tot escapisme. Sommigen ontkenden hun groepsidentiteit en namen Engelse namen aan, anderen werden vromer dan de moslims van Kairo.”

In de regeringsburelen worden de Maleiers nog steeds beschouwd als een potentiële vijfde colonne. Zij moeten hun tweejarige dienstplicht vervullen, maar werden tot medio 1993 niet toegelaten tot de reguliere strijdkrachten van Singapore. Zolang heeft men kennelijk getwijfeld aan hun Singaporese loyaliteit voor het geval het onverhoopt zou komen tot een gewapend treffen met de Maleis sprekende buren.

Het Monument voor de Vier Naties - Chinezen, Maleiers, Indiërs en Anderen - in het centrum van de stad wordt door Singaporezen gekscherend de chopstick-pillars genoemd, omdat de vier zuilen lijken op de eetstokjes uit het Chinese restaurant. Hoe Chinees is Singapore? Wie om zich heen kijkt, ziet overal Engelse opschriften. Ook Singaporezen met een Chinese schoolvariant hebben twaalf jaar Engels onderwijs gehad. Een Chinese kunstenaar: “Het Chinese karakter van Singapore steekt bleekjes af bij dat van Taiwan en Hongkong. Daar vind je nog een zuivere cultuur. In Singapore niet. Etnisch zijn we Chinees, cultureel zijn we een mengvorm die uniek is door onze omvangrijke minderheden.”

Parlementslid Walter Woon: “Sommigen betreuren het dat we niet zuiverder zijn dan we zijn. Bij de jongste verkiezingen verloor de PAP vier zetels aan de oppositie en dat leidde in die kring tot gewetensonderzoek. De conservatieve, Chinees opgeleide stroming zei: dat krijg je ervan als je het Chinese cultuurgoed verwaarloost. Sindsdien werden we overspoeld met boodschappen als: Westers is slecht, liberaal is verkeerd, leer Hua-Yu, blijf je Chinese wortels trouw”.

Dat leidde uiteindelijk tot een openlijk weerwoord van de oppositie, onder wie Woon zelf, een van de zes partijloze intellectuelen in het parlement. Woon: “Of iemand een goed staatsburger is heeft niets te maken met de vraag of hij Hua-Yu spreekt. Dat hangt af van iemands waarden.” Senior minister Lee Kuan Yew, die zich op zijn oude dag steeds meer bekent tot de Chinese wijsgeer Confucius, wierp zijn volle gewicht achter de conservatieven. Woon: “Vroeger zou dat de doorslag hebben gegeven, nu niet meer.”

Het was geen pijnloze bevalling, maar in vijfentwintig jaar is wel degelijk een nationale identiteit geboren. In een recent onderzoek prefereerde negentig procent van de ondervraagden de benaming 'Singaporees' boven Chinees, Maleier of Indiër. De gemeenschappen zijn door hun gedwongen samenleving naar elkaar gegroeid. De Maleise journaliste: “De Chinezen hier zijn warmer en gastvrijer dan in Hongkong en Taiwan en de Malays zijn zakelijker geworden. Jonge, goed opgeleide Singaporezen denken niet meer in termen van Chinees, Maleier of Indiër. Voor ons zijn er alleen John, Paul, Mary en Ronny.”

    • Dirk Vlasblom