Overdrachtsbelasting

Tijdens het bewind van drie kabinetten onder leiding van premier Lubbers is de schroef van belastingen en sociale premies uiteindelijk nog een slag steviger aangedraaid. Het peil van deze publieke heffingen steeg van 52,2 (1983) tot 53,3 (1993) procent van het nationaal inkomen. De ontwerp-verkiezingsprogramma's van de vier grote politieke partijen stellen het zwaarbelaste kiezersvolk thans lastenverlichting in het vooruitzicht. CDA en D66 trekken ongeveer vier miljard uit voor verlaging van het belasting- en premiepeil, de PvdA zes miljard en de VVD liefst elf miljard. De programma's laten helaas in het midden welke bedragen precies bestemd zijn voor vermindering van welke belastingen. De politieke partijen wekken hierdoor - niet voor het eerst - veel te hoog gespannen verwachtingen. CDA en VVD pleiten dit keer onder andere voor afschaffing van de overdrachtsbelasting, terwijl zeker de christen-democraten daarvoor onvoldoende middelen weten vrij te maken.

Overdrachtsbelasting wordt thans geheven van de verkrijger van onroerende zaken (grond, huizen, kantoren) die binnen de landsgrenzen liggen. Het tarief is zes procent en verschuldigd over de waarde van de onroerende zaak in het economisch verkeer. De notaris voldoet de belasting bij de registratie van de koopakte, nadat hij haar aan de koper in rekening heeft gebracht. Daarmee is de overdrachtsbelasting een simpele en fraudebestendige belasting, die in allerlei vormen al sedert de middeleeuwen bestaat. Zij brengt dit jaar twee miljard gulden op.

Voorstanders van afschaffing beroepen zich voor hun standpunt op drie argumenten. Deze heffing zou geen rechtsgrond hebben en de mobiliteit van de beroepsbevolking belemmeren. Bovendien zou haar afschaffing bijdragen aan de inderdaad dringend gewenste vereenvoudiging van het belastingstelsel. Het eerste argument overtuigt niet. Bij de rechtsgrond van bijna elke belasting zijn vraagtekens te plaatsen. Een in feite al eeuwenlang bestaande belasting, die tamelijk geruisloos wordt geheven, pleegt maatschappelijk te worden aanvaard. Burgers maken inderdaad zelden bezwaar tegen de overdrachtsbelasting. Bovendien profiteert de eigenaar van onroerende zaken in hoge mate van het overheidsoptreden (waterstaat, wegen, bescherming van zijn eigendom door brandweer, politie en rechtspraak). Een periodieke, globale profijtheffing bij de rechtsovergang van onroerende zaken is daarom zeker te rechtvaardigen.

Het tweede argument tegen de overdrachtsbelasting oogt veel sterker. Wanneer mensen overwegen van baan te veranderen, betekent dit nogal eens dat zij moeten verhuizen. Wanneer baanwisselaars bij verhuizing naar een andere koopwoning zes procent belasting moeten betalen, kan dit hen weerhouden ander werk te aanvaarden. De overdrachtsbelasting maakt de werking van de arbeidsmarkt dus stroever. Toch is ook deze redenering niet erg overtuigend. De mobiliteit van huurders blijft onverlet. Bezitters van een eigen huis vinden vaak een andere baan binnen de regio waar zij al wonen. Dan is het meestal helemaal niet nodig om te verkassen. Bovendien beschouwen huizenkopers de zes procent overdrachtsbelasting als deel van de aankoopkosten van hun huis, die zij in één moeite door meefinancieren. Nu onder jongere werknemers tweeverdienerschap regel is geworden, blijkt de mobiliteit van sollicitanten in de praktijk vooral te worden geremd wanneer hun partner in een andere regio geen eigen baan kan vinden. Verdwijnt de overdrachtsbelasting, dan zal de werking van de arbeidsmarkt dus nauwelijks verbeteren.

Dan het laatste argument. Afschaffing van welke belasting ook draagt zeker bij aan vereenvoudiging van het fiscale stelsel. Anderzijds is het gewenst dat de overheid de benodigde middelen vergaart via een flink aantal uiteenlopende heffingen. Een voldoende rijke verscheidenheid van belastingen betekent dat per belasting met lagere tariefpercentages kan worden volstaan om in de totale behoefte van de schatkist te voorzien. Gematigde tariefpercentages temperen op hun beurt economisch schadelijke gedragsreacties op belastingheffing.

Indien miljarden voor lastenverlichting beschikbaar zijn, moeten de per saldo geringe pluspunten bij afschaffing van de overdrachtsbelasting worden afgezet tegen de voordelen door een even omvangrijke verlaging van andere heffingen. Vrijwel niemand betwijfelt dat de nationale economie het meeste zou zijn gebaat met verlaging van de lasten (loonbelasting en sociale premies) die loodzwaar drukken bij inschakeling van weinig gekwalificeerde werknemers. Het kost een werkgever op dit moment 35.000 gulden aan loonkosten om een minimumloner netto 22.000 gulden te laten verdienen. Nergens in de Europese Unie gaapt die kloof (de 'wig') op minimumloonniveau zo wijd. Het lijkt daarom gewenst eventueel voor lastenverlichting beschikbare middelen vrijwel geheel in te zetten ten gunste van het laagste segment van de arbeidsmarkt. Het welvaren van de Nederlandse economie is daar meer mee gebaat dan met afschaffing van de overdrachtsbelasting.

    • Flip de Kam