Martens' verovering van de marge

De Gelderse grafisch ontwerper Karel Martens nam onlangs de Werkmanprijs 1993 van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst in ontvangst. Hij kreeg de prijs voor zijn vormgeving van het architectuurtijdschrift Oase.

De tentoonstelling van het werk van Karel Martens in het Stedelijk Museum Amsterdam duurt tot 5 dec.

Een van de mooiste eigenschappen van Karel Martens (1939) is zijn uitmuntend gevoel voor maat. Van een bijna komieke terughoudendheid getuigt bijvoorbeeld zijn presentatie van eigen werk in vijf muurvitrines van het Stedelijk Museum Amsterdam. Het is een perfect concentraat, bijna compleet genoeg voor een plastic boodschappentasje. De eerste van de vijf miniatuuretalages toont een tableau van zijn Oase-omslagen, de tweede bevat zeven postzegels op een steeltje. In de derde staat Martens' herdenkingspenning voor het Nieuw Burgerlijk Wetboek, de vierde is daarentegen volgestouwd met honderden door hem ontworpen boeken, waarvan we alleen ruggen zien, een speciale interesse van Martens. Het tweetal snijsels in de vijfde vitrine (samengesteld uit de Donald Duck en de Frankfurter Allgemeine) en het paneel druksels aan de muur - composities van platte machine-onderdelen gedrukt op afgelegde archiefkaarten - vormen tenslotte een onwillekeurig eerbetoon aan de Groninger drukker Werkman naar wie de prijs vernoemd is.

Hoewel de kring van liefhebbers groeit en scherpzinnige critici in binnen- en buitenland Martens' werk hebben geplaatst in de internationale context van een generatie verlichte, linkse uitgevers, is Martens zelf de laatste om hun vertrouwen tot het zijne te maken. Op een herfstochtend terugkerend in zijn huis vol welsprekende stillevens - een feloranje pompoen naast een glas paarse dahlia's, een collectie hang- en sluitwerk op formaat uitgelegd op smetteloos witte vellen papier - merkt hij aarzelend op: “Vroeger dacht ik dat ik het eigenlijk niet kon. Pas nu ben ik er aan toe een tipje van de sluier op te lichten, maar eigenlijk denk ik dat het belangrijkste nog moet komen.”

Vroeger? Vroeger maakte Martens omslagen voor het non-fictie-fonds van uitgeverij Van Loghum Slaterus. Als aanhanger van de 'Zwitserse' typografie, bevrijd van de eis zo origineel en expressief mogelijk te zijn, ontwierp hij series die, met een constante typografie en abstracte beelden ontleend aan zijn vrije werk, eigentijds maar ook neutraal waren. Niet op deze boeken maar op zijn karig getinte letterbiljetten voor het Filmhuis Nijmegen kwam de volgende opdrachtgever af, zonder twijfel de merkwaardigste, veeleisendste en meest volhardende uit zijn loopbaan: de Socialistische Uitgeverij Nijmegen (SUN), vertegenwoordigd in de persoon van Hugues Boekraad.

Tientallen boekomslagen en binnenwerken ontwierp Martens tussen 1974 en 1981 voor deze uit de studentenbeweging voortgekomen uitgeverij. Boekraad formuleert het wat breed als hij naar aanleiding van de universitaire afzetmogelijkheden in zijn memoires (opgenomen in Het ontwerpproces, 1986) spreekt van 'linkse bolwerken' en 'de garantie van een massale afname'. Maar het is waar. Martens heeft ontegenzeglijk bijgedragen aan de vorming van menig academicus door het corpus van marxistische SUN-uitgaven aan te reiken als een toonbeeld van helderheid en integere waarachtigheid.

Martens: “Waar twee mensen erg op elkaar aangewezen zijn komen de beste dingen tot stand. Je zag dat destijds in de museumteams van Jean Leering met Jan van Toorn, Walter Nikkels met Rudi Fuchs en Wim Crouwel met Edy de Wilde. Boekraad keek naar alles wat ik maakte met een onvoorwaardelijke betrokkenheid, bijna alsof het zijn werk was. Elk boek was zijn geestesprodukt, ik mocht het alleen voor hem verpakken omdat hij dat zelf niet kon. Voor mij was die samenspraak heel stimulerend. Mijn werk werd minder vormelijk, het formele en abstracte geometrische maakte plaats voor betrokkenheid.”

Wat al vroeg in Martens' werk zichtbaar werd is zijn geleidelijke verovering van de marge. De rug van een boek, de uiterste rand van een blad of zelfs het scherp van de snede, die snijrand van het papier, ze vormen het minuscule maar strategische territorium van waaruit hij het hele boek verovert met een enkel goedgeplaatst woord in schrale schreeflozen. De lading die hij het woord - eerder dan het beeld - verschaft, bestempelt hem tot een vriend van de verbale cultuur, een eigenschap die de hunkerende intellectuelen onder zijn opdrachtgevers en critici naar waarde weten te schatten.

In overdrachtelijke zin is Martens evenmin afkerig van de marge. Gevraagd naar lievelingsdrukwerken gaat hij voorbij aan alle klassieke en mondaine meesterwerken, om uit te komen bij: De rekendictionnaire van W. Vriesendorp, een pil van duizenden kolommen tafels van vermenigvuldiging waarin hij de geheimzinnige onleesbaarheid van de tekst waardeert, de onwaarschijnlijk billijk geprijsde kleurenstencildrukwerken (Mediaval, Halfwit) van het Nijmeegse kunstenaarscollectief KNUST en een lang geleden uit een plas water opgevist en half verroest blikje transparante meubellak, Zwitsers beletterd met het opschrift 'Clou L4 für Heimwerker'.

In de marge geboren, 'in Mook en Middelaar waar je in de tuin met je hoofd in Gelderland en met je voeten in Limburg lag', cultiveert Martens ook in zijn beroepsuitoefening een zekere marginaliteit: “Ik ben geen lid van de BNO (Beroepsvereniging van Nederlandse Ontwerpers) en ook niet van Drukwerk in de Marge of een kunstenaarsvereniging, ik hoor nergens bij.” Zelfs de nederigste vormen van wat hij 'vakbevestigend drukwerk' noemt, zoals reclamefoldertjes van Rotring tekenpennen, houdt hij liever buiten de deur.

Met dergelijke manifestaties van marginaliteit lijkt Martens te willen suggereren dat professionaliteit compromitterend is. “Ik ben geen propagandist van het amateurisme, maar in het professionalisme schuilt zeker een gevaar. De wereld deugt hoe dan ook niet en de dingen moeten voortdurend veranderen, anders komt het tot verval. Zo kon bijvoorbeeld het centraal op de as van de pagina typograferen zijn zeggingskracht verliezen. Iedere generatie heeft de plicht opnieuw zijn vorm te vinden en de continuering van de status quo is per definitie iets dat vermeden moet worden.”

Martens bezit voldoende discipline om ook zijn toegepaste werk beweeglijk te houden. Zijn papieren snijsels mogen dan tot het verleden behoren, bij zijn druksels van nú gaat hij met dezelfde systematische onderzoekslust te werk. Dat laatste heeft zeker bijgedragen tot de bekroning van het bij de SUN ondergebrachte Oase dat, binnen een vast formaat, per nummer een andere typografie, een wisselend stramien een veranderlijke kleurstelling of lettertype heeft, dat niet eens een eigen logo bezit en waarvan één aflevering (over het interieur) onopengesneden kwam. Maar bovendien bezegelt de jury (Joost Swarte, Victor Levie en Hugues Boekraad) met deze bekroning, waarschijnlijk even onbewust als onvermijdelijk, het historisch monsterverbond dat twintig jaar geleden gesloten werd tussen een linkse uitgever, een tumultueuze redacteur en een gevoelige ontwerper.