Godsvraag hoort thuis op openbare universiteit

Op de Opiniepagina van NRC Handelsblad van 17 november verscheen een artikel van de Leidse hoogleraren Adriaanse, De Jonge en Van der Toorn waarin zij betogen dat de theologische faculteit aan de openbare universiteit moet blijven. Zij beargumenteren die mening ondermeer als volgt: theologie vertegenwoordigt een intellectuele traditie, die, met de andere humaniora, de universiteit tot hoedster van menselijke beschaving maakt. Het verlies van een theologische faculteit kan niet worden gecompenseerd door de oprichting van een godsdienstwetenschappelijk instituut.

Ook ik vind dat het verdwijnen van de theologische faculteit voor de Nederlandse openbare universiteiten een ramp is, maar de argumenten die de Leidse hoogleraren aanvoeren lijken mij niet voldoende steekhoudend.

Theologie wil van oudsher zeggen: wetenschap aangaande God. En dat moet zo blijven. Theologie is wetenschappelijke bezinning op de vraag naar de werkelijkheid van God. Wetenschappelijke theologie dient zich bezig te houden met de vraag of en in hoeverre er uitspraken over God mogelijk zijn.

Nee, haasten zich de Leidse hoogleraren te zeggen: dat is een hardnekkig misverstand. Wetenschappelijke theologie houdt zich niet bezig met kennis over God. Aan de openbare universiteit behoort de Godsvraag niet thuis. De mensen die daar werken brengen hun studenten geen kennis bij over God, maar over godsdienst.

Nu zal niemand betwisten dat godsdienstwetenschap een integrerend bestanddeel vormt van de theologische wetenschap. Maar de bewering dat het in de theologie aan de openbare universiteit in de grond van de zaak zou moeten gaan om godsdienstwetenschap en dat de bijbelse vakken Oude en Nieuwe Testament, de vakken kerk- en dogmengeschiedenis, wijsbegeerte van de godsdienst en ethiek, godsdienstpsychologie en -sociologie, zich zouden hebben te voegen naar de spelregel van de godsdienstwetenschappelijke benadering namelijk: 'geen oordeel te geven over waarde en waarheid van ontoetsbare voorstellingen', doet ernstig tekort aan het kritisch gehalte van de theologie.

Wetenschappelijke theologie heeft wel degelijk een oordeel te geven over de waarde en waarheid van godsdienstige voorstellingen. Het merendeel van de godsdiensten beroept zich uiteindelijk op 'ontoetsbare voorstellingen'. En het is juist de adel van de theologie om de waarheidspretentie van deze voorstellingen kritisch te toetsen.

Naast godsdienst-wetenschap is godsdienst-kritiek een wezenlijk bestanddeel van de theologische wetenschap. Die kritiek heeft zeer oude papieren. Zij is niet enkel een verworvenheid van de Verlichting en de Reformatie, maar gaat terug op de bijbel zelf, met name op het Oude Testament.

Het is juist deze kritische rekenschap van geloofsinstellingen, zowel collectief als individueel, die de theologie op het Europese continent door de eeuwen heen in zo'n hoog aanzien heeft gebracht. De omvorming van de theologische faculteit tot department of religion naar angelsaksisch model zou een ernstige historische breuk zijn.

De universiteit als wetenschapscentrum van onze cultuur kan het stellen van de Godsvraag niet overlaten aan kerkelijke seminaries, conventikelachtige congregaties en sectarische genootschappen. Zeker niet in een tijdsgewricht, waarin een nieuwe (nu ja, nieuwe) golf van religieusiteit over ons continent trekt. Het afstoten van theologische faculteiten, als plekken van rationele bezinning, zet de deur wagenwijd open naar geestelijk obscurantisme, godsdienstige dwingelandij - getuige het geval Rushdie! - massa-hysterie en ideologisch fanatisme.

De theologische faculteit behoort vanwege jaar kritische functie thuis binnen de openbare universiteit. Maar dan niet als een academisch opgedirkt en uitgedoft instituut voor godsdienstwetenschap. Godsdienstwetenschap kan ondergebracht bij de literaire faculteit. Theologie niet.

Theologie moet doen wat zij altijd heeft gedaan. Zij behoort zich kritisch bezig te houden met de vraag naar God. Dat is in het belang van heel de cultuur. Daarvoor heeft de theologische faculteit niet enkel haar eigen disciplines nodig. (En dat zijn er nog al wat!) Daarvoor heeft zij ook de andere faculteiten nodig als gesprekspartner binnen de universitas literarum. Het mag niet zo zijn dat de Godsvraag verwezen wordt naar het privé-domein van de godsdienstige mens of naar de stormvrije zone van de persoonlijke geloofsovertuiging. Daar is ze veel te belangrijk voor. Alsof alleen de godsdienstige mens het patent op God zou hebben.

    • Nico T. Bakker