Fransen lopen weg bij avond met Nederlandse auteurs

PARIJS, 30 NOV. Het was een eer. Harry Mulisch herinnerde het zich nog als de dag van gisteren hoe hij 25 jaar geleden iets verderop in de Sorbonne debatteerde. Het was 1968, Sartre was er ook. Nu zat hij er weer, met het eerste elftal van de Nederlandse literatuur. Uitgenodigd door Frankrijk. Om zich te presenteren in deze historisch verantwoorde omgeving, een akoestisch rampgebied.

'Les Belles Etrangères' heet de serie gesprekken en ontmoetingen met Nederlandse schrijvers, die deze week plaatsvinden in Parijs en vanaf het weekeinde in Lille, Bordeaux, Amiens, Straatsburg en andere regionale centra. Een initiatief van het Franse ministerie van cultuur om minder bekende literatuur van over de grens in Frankrijk een kans te geven.

De schrijvers hadden dan ook geen weerstand kunnen bieden aan de eervolle uitnodiging. Parijs blijft Parijs. Maar naarmate de introductie-avond gisteren vorderde leek le plaisir de se voir invité plaats te maken voor het tandenknarsend plichtsbesef. Het zal later in de literatuurgeschiedenis van de lage landen als een gedenkwaardige samenkomst worden vermeld, die belles étrangères naast elkaar op een podiumpje geperst in het Amphitheâtre Richelieu: Nooteboom, Mulisch, Haasse, Van Dis, De Moor, Springer, De Winter, Mutsaers, Kopland, Möring en Palmen.

De avond werd geopend door de hoogste meneer van Het Boek op het Franse ministerie van cultuur. Die hield de microfoon bij zijn kruin, zodat zijn visie op de Nederlandse letteren nauwelijks uitlekte. Naar verluidt roemde hij de bibliotheekdichtheid in het land en wees hij op het recente succes van het Nederlandse boek in Duitsland. Dat zou meer worden genoemd.

Philippe Noble, vertaler van Nederlandse boeken en directeur van het Maison Descartes in Amsterdam, hield een knappe inleiding waarin de Nederlandse literatuur voor vreemdelingen werd verklaard. De Koloniën. De Oorlog. De mythe van de onvertaalbaarheid. De marginale rol van de schrijver in het Nederlandse bewustzijn. Waarna hij en Philip Freriks de auteurs één voor één voorstelden en aan een gesprekje onderwierpen.

De om half acht begonnen avond was toen niet meer zo jong. Adriaan Van Dis als omzetverhogende persoonlijkheid in de Nederlandse boekenwereld was een spannend openingsbod. Bernard Pivot, die al jaren boekige gesprekken op de Franse tv voert, werd de Franse Van Dis genoemd. De aanwezige Fransen (honderd?) vinden zoiets niet overdreven grappig.

Pag.6: Nooteboom: Fransen kennen geen talen

De shawl van Hella Haasse gaat over de ene microfoon om te kijken of dat helpt tegen het rondzingen van de geluidsinstallatie.

Achter de andere microfoon vertelt Van Dis dat hij al 200 pagina's van een nieuw boek af heeft. Voor wie in de Deense literatuur niet zo thuis is, een moeilijk naar waarde te schatten mededeling. Tijd voor Hella Haasse. Kwart voor negen, twee dames sluipen weg. De dichter Rutger Kopland heeft een stabiele rusthouding op het podium gevonden.

Hella Haasse is veel vertaald in het Frans. En la forêt de longue attente is goed verkocht. Zij woont sinds twee jaar weer in Amsterdam, maar is nog in het bezit van een Franse carte de séjour. Toch lijkt haar delicate presentatie de geluidsbarrière niet te overleven. 20.48: een man stommelt weg. Gehoest, gewrijf. 20.52: mevrouw Haasse wordt verlost. Tijd voor de enige dichter.

Noble zegt aardige dingen over de mentaliteit van Koplands werk, drie meisjes houden het voor gezien. Hij roemt de intimiteit, het geduld. 20.57: twee mannen gaan na elkaar weg. De auteur mag één vertaald gedicht voorlezen. Twee dames pakken hun jas op. 21.02: min twee mannen.

Marcel Möring had zich door Connie Palmen nog laten overtuigen dat hij het podium echt op moest. Nu wordt hij in het Nederlands ondervraagd, een vertaalster haalt vraag en antwoord later in. Een gevoelig verlies voor de avond: vijf deserteurs tegelijk. De akoestiek wordt er iets beter van. Mulisch rookt zijn niet-brandende pijp.

Terwijl Möring uitlegt dat je net zo goed over de tachtigjarige oorlog als over die van '40-'45 kan schrijven, komt er een dame binnen (21.09). Margriet de Moor (Gris d'abord puis blanc puis bleu') moet om 21.12 eerst twee daarna één en dan om 21.20 ook de dame van 21.09 zien vertrekken. Te 21 en 23 over negen knijpen nog twee vrouwen uit. Zij antwoordt concreet, in helder Nederlands, over muzikaliteit en schrijven.

Voordat Harry Mulisch aan de beurt is, worden de zitplaatsen gewisseld. Zijn naderend optreden kan een mars naar buiten van zo'n vijftien bezoekers niet beletten, maar tijdens zijn vertaalde antwoorden komt de uittocht tot staan. De harde kern is kennelijk bereikt.

Cees Nooteboom (21.45; min vier) heeft het wel gezien wanneer hij mag. Van zijn net verworven Europese prijzengeld zal hij een deel besteden aan microfoons voor de Sorbonne, deelt hij mee. “Ik kom graag in Duitsland”, gaat hij verder, “want daar is een publiek, daar is echte belangstelling voor litteratuur. Die bestaat hier niet, hoewel enkelen naar deze avond zijn gekomen. Fransen kennen geen talen en horen wel van de pers wat ze moeten kopen.” (22.00; min acht.)

Aandacht voor Connie Palmen. Twee giechelbuien, plukken aan de piekhaartjes, “Ik hou van voetbal en van Sartre”. Uw tweede boek komt er aan? “Oui” C'est dur? “Oui”. (Min vijf gasten). Voor Springer en De Winter is het tot het buffet voor genodigden spelen in blessuretijd. Had het verschil gemaakt als de Titanen van de Nederlandse letteren gisteravond bijeen waren gekomen op een open plek in de bossen van Novia Scotia?