Een oorlogssint

In de etalage van de grootste speelgoedwinkel in de Tilburgse Heuvelstraat stond een hobbelpaard, bekleed met echt paardehaar, een echte paardestaart en echte manen. De teugels waren van het duurste Oisterwijkse leer en het moest vijfenveertig gulden kosten. Drie weken loon van een fabrieksarbeider in die dagen.

De maatschappelijk werkster en ik, die samen de aankoopcommissie van het jaarlijkse Sinterklaasfeest op onze fabriek vormden, waren verontwaardigd. maar de winkelier was ervan overtuigd dat hij het dier wel zou kunnen verkopen. Er waren nog altijd mensen die het wél konden betalen. We sloegen een deel van onze cadeautjes bij hem in - je moet iedereen de klandizie gunnen - en bestelden onder meer vijfentwintig witte houten paardjes op een plankje op wielen.

Wanneer alle cadeautjes gekocht en op de fabriek gearriveerd waren, gingen we ze bekijken. Ons comité werd dan aangevuld met Sint en Piet en we probeerden alles uit. Na werktijd wel te verstaan. We lieten de bromtollen draaien, de treintjes lopen en bekeken vooral de grote hoeveelheid popjes met een kritisch oog. Of het rokje wel ver genoeg over het broekje hing en/of het haar wel goed vast zat op het kopje.

Sint en Piet hadden hun functie te danken aan het feit dat ze de daarvoor geëigende kledij bezaten en veel in de huiselijke kring optraden. Als je zag hoe Sint zich op een gewone dag in zijn fladderende witte jas over het fabrieksterrein haastte, kon je je nauwelijks voorstellen dat hij voorzien van alle benodigde parafernalia een indruk van grote waardigheid gaf. Met Piet lag dat anders, die was van nature en in het dagelijks leven altijd in voor een pretje.

Toen kwam de oorlog en kregen we moeite met inkopen.

Wij werden een beetje slanker - in het zuiden was het nauwelijks merkbaar - maar Piet werd zienderogen dikker. Op een middag fietste ik met hem door de Bisschop Zwijsenstraat. Hij zei: “Ik snap niet wat ik nog op die stinkfabriek doe. Tussen de middag heb ik mijn hele maandsalaris zwart verdiend. Maar ja, ik vind het er nog altijd leuk.” Waarmee had hij dat vele geld verdiend? Na de dood van zijn vader had zijn moeder de leiding van zijn steenkoolhandel op zich genomen. Toen de oorlog een tijdje aan de gang was zei ze: “Nou begrijp ik waarom ze steenkool het zwarte goud noemen.” Piet vertelde me dat en voegde er met een héél ver vooruitziende blik aan toe: “Je weet het maar nooit, misschien gaat de steenkool ook voorbij en ben ik blij dat ik nog op de fabriek mag werken.”

Toch vormde hij tegen de vijfde december een probleem; we waren bang dat hij te dik was geworden en uit zijn pak zou barsten. Maar de kleine cheffin van de naaikamer wist daar raad op. Ze had nog wat ijzergaren, zei ze, en zou hem wel in z'n pak naaien. En zo geschiedde.

Over die laatste oorlogssinterklaas hebben we nog lang gedelibereerd. We waren er in geslaagd voor vijfhonderd kinderen nog wat lekkers en een speeltje te kopen. We hadden zelfs vijf popjes, die waren voor de allerarmsten. Maar wat als er luchtalarm zou komen? Op zaterdagmiddag was dat echter niet zo waarschijnlijk en meestal gooiden ze er toch naast. We besloten het risico te nemen, de kindjes hadden zich er zo op verheugd en het was voor de meesten het enige dat ze van de Sint merkten.

We hielden beraad met onze luchtbeschermer, hij zou ons onopvallend waarschuwen. Er mocht één liedje gezongen worden, en Sinterklaas zou zijn taak snel verrichten. Al tijdens het gezang kwam de luchtbeschermer aangesneld: “Ze zijn bij Vlissingen binnengevlogen.” Wij vertrokken geen spier, wenkten alleen naar Sint van 'vlugger/vlugger'. Toen kwam de luchtbeschermer weer, maar nu om stotterend en verheugd te melden dat ze naar Antwerpen waren afgezwenkt.

Van toen af aan verliep het feest zonder incidenten. Sint nam wat meer tijd; een vroom kindje dat zijn ring kuste, sprak hij vriendelijk toe en streek het over de bol.

Geen incidenten? Ja toch één. Een goed gekleed klein meisje was niet tevreden met wat ze kreeg, ze stond stampvoetend voor de goedheiligman en krijste: “Ik wil glaceetjes.”

Ik stond naast Piet en zei: “Jij hebt vandaag toch zogezegd sacrosanct, kun je die moeder niet een draai om de oren geven?”