De economie van het 'op'

BERT DE VRIES is een nuchtere, calvinistische econoom. Zonder veel ophef drukt hij een stempel op het sociaal-economische beleid en geeft hij met zijn opvattingen richting aan het nationale economendebat.

Kort voor zijn vertrek uit de actieve politiek heeft De Vries in een interview met Trouw, afgelopen zaterdag, zijn visie op de sociaal-economische toekomst van Nederland uiteengezet. Zijn opmerkingen sporen met de Sociale Nota 1994 die zijn ministerie op Prinsjesdag heeft uitgegeven: de komende jaren zullen in het teken staan van het verband tussen economische groei en werkgelegenheid, beheersing van de kosten en herziening van het bestuurlijke model van de verzorgingsstaat. Daarnaast voegt hij een nieuw element toe: de economie van het 'op'.

Deze eeuw zit er voor Nederland geen koopkrachtstijging meer in, meent De Vries. Het is voorbij met de welvaartsgroei nu nieuwe industrielanden in opkomst zijn en een groter aandeel van de wereldmarkt opeisen. De Vries verwelkomt dit ontwikkelingssucces en pleit niet voor marktbescherming om de goedkope concurrentie buiten de deur te houden. Terecht wijst hij op de positieve ontwikkeling van nieuwe afzetmarkten. Maar zijn conclusie dat Nederland stil moet blijven staan om plaats te maken voor nieuwkomers gaat uit van een merkwaardig statisch beeld van de economie, waarbij de welvaartsgroei van de één onvermijdelijk ten koste zou gaan van de ander. Alsof niet alleen Nederland maar de hele wereld in relatieve koopkrachtplaatjes valt te vangen. Economie, en zeker de internationale handel, is een dynamisch spel waarbij de som meer is dan nul.

HET STATISCHE welvaartsbeeld dat De Vries hanteert, staat merkwaardig genoeg haaks op zijn lovenswaardige poging om geleidelijk de Nederlandse arbeidsmarkt te versoepelen. De minister weet vakbonden en werkgevers als obstakels op zijn pad bij het voornemen om de algemeen-verbindendverklaring van CAO's te beperken en het keurslijf van de arbeidstijden en het ontslagrecht te versoepelen. Die vergrote flexibilisering, gekoppeld aan aanpassingen van het uitkeringsstelsel, legt de basis voor voortgaande welvaartsstijging in hoog ontwikkelde industrielanden.

IN 1987 LANCEERDE De Vries de zogenoemde 'Bert-norm': de collectieve uitgaven mochten van de toenmalige CDA-fractievoorzitter niet onder de zestig procent van het nationale inkomen zakken. Dat werd toen in brede kringen als een onaanvaardbare aanslag op het collectieve welzijn beschouwd. Sindsdien is de 'Bert-norm' alleen maar verder uit zicht geraakt. In 1987 bedroeg het percentage 65,8 en voor 1993 is het volgens de jongste Miljoenennota 68,1 procent. Nederland collectiviseert nog steeds - laat staan dat een wenselijk lager niveau van vijftig procent binnen bereik zou liggen.

Toch vormt dit de grootste belemmering voor toekomstige welvaartsgroei. Zolang de nationale herverdelingsmachine doordraait, gaat van de Aziatische opkomst een bedreiging uit en moet Nederland genoegen nemen met de economie van het 'op'. Gevraagd: meer dynamiek in een volgend kabinetsbeleid.