Voorstel euthanasie is produkt politiek compromis

Het voorstel tot wijziging van de Wet op de Lijkbezorging waarin de euthanasiekwestie wordt geregeld - nu in behandeling bij de Eerste Kamer - is een produkt van een politiek compromis en berust niet op rationele argumenten. Maar het grootste bezwaar is dat in het wetsvoorstel ook ongevraagde levensbeëindiging is opgenomen.

In 1985 kwam de Staatscommissie Euthanasie met een voorstel voor wettelijke regeling van euthanasie waaronder levensbeëindiging op verzoek wordt verstaan. In dat jaar was 67 procent van de bevolking (69 procent van de rooms-katholieke bevolkingsgroep) voorstander van euthanasie. Dat percentage bedraagt in 1993 78 procent. Niettemin is de wettelijke regeling van euthanasie, vooral door de oppositie van het CDA, een slepende affaire geworden, die is uitgemond in een voorstel tot wijziging van de Wet op de Lijkbezorging. Euthanasie is strafbaar gebleven, maar een arts kan met een beroep op noodtoestand (art. 40 Wetboek van Strafrecht) toch euthanasie verrichten. Volgens het voorstel tot wijziging van de Wet op de Lijkbezorging moet de arts dan een speciale meldingsprocedure volgen.

Tegen deze constructie zijn bezwaren aan te voeren. Het wetsvoorstel is het produkt van een politiek compromis en berust niet op rationele argumenten. Euthanasie wordt er niet in geregeld en er worden geen criteria voor euthanasie in de wet neergelegd. Een ander bezwaar is dat de arts strafbaar is als hij een patiënt op diens verzoek zorgvuldig helpt om bij ondragelijk, niet te bestrijden lijden het leven te beëindigen, terwijl dat door de overgrote meerderheid van de samenleving ethisch toelaatbaar wordt geacht. Dat is niet eerlijk ten opzichte van de arts en doet geen recht aan de patiënt.

Het meest ernstige bezwaar is dat in het wetsvoorstel ook ongevraagde levensbeëindiging is opgenomen. Levensbeëindiging op verzoek (euthanasie) en zonder verzoek moeten principieel worden onderscheiden. Dat doet het wetsvoorstel echter niet. Het omvat beide. Gevolg daarvan is dat de feitelijke aanvaarding van euthanasie doorwerkt op de aanvaarding van ongevraagde levensbeëindiging. De feitelijke aanvaarding van euthanasie is deel van het politieke compromis waarin zorgvuldig uitgevoerde euthanasie weliswaar strafbaar blijft (CDA) maar niet zal worden vervolgd (PvdA).

In de brief aan de Tweede Kamer van 8 november 1991 wordt met zoveel woorden gezegd dat de regering het onjuist acht dat het verloop van de toetsing de suggestie zou wekken als zou euthanasie een strafwaardig karakter dragen. Door nu voor ongevraagde levensbeëindiging dezelfde regeling te maken als voor euthanasie, ontstaat de indruk dat ongevraagde levensbeëindiging dezelfde positie heeft als euthanasie. Dit is ernstig. Er ontstaat het risico van afglijden in de verkeerde richting. Het verwarrend effect blijkt reeds in de praktijk. In contacten met artsen kreeg ik al de reactie: maar ongevraagde levensbeëindiging mag toch van Hirsch Ballin en Simons?

De vraag rijst of door de toevoeging van ongevraagde levensbeëindiging aan het wetsvoorstel geen strijd is ontstaan met art. 2 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens dat het recht van een ieder op het leven beschermt.

Die vraag betreft niet euthanasie omdat daar de betrokkene zelf levensbeëindiging verzoekt. Maar zonder zo'n verzoek ligt het uiteraard anders. Het gaat in het wetsvoorstel weliswaar om een procedurele regeling, maar het is niet uit te sluiten dat het Europese Hof zou kunnen oordelen dat de in het wetsvoorstel gewekte indruk over aanvaarding van levensbeëindiging zonder verzoek materieel in strijd is met het verdrag. Die indruk wordt versterkt doordat de procedure op zichzelf melding, verslaglegging en toetsing van ongevraagde levensbeëindiging regelt. Zo'n procedure heeft, hoe men het ook keert of wendt, een legitimerend effect. Daders van een strafbaar feit laat men niet op deze wijze zelf rapporteren. Een ander aspect is dat volgens de jurisprudentie van het Europese Hof de staat een positieve beschermingsplicht bij de bescherming van het leven heeft. Het is niet ondenkbaar dat het hof tot de conclusie zou komen dat het wetsvoorstel ten aanzien van onvrijwillige levensbeëindiging het beschermingsniveau verlaagt.

Er zijn betere oplossingen voor de regeling van euthanasie. De beste is zorgvuldig volgens in de wet neergelegde criteria door een arts verrichte euthanasie uit de strafwet te halen en een controle-systeem in te voeren. Ongevraagde levensbeëindiging blijft dan vallen onder de normale procedure die geldt bij niet-natuurlijke doodsoorzaak. Heeft een arts in uitzonderlijke gevallen ongevraagd het leven beëindigd, bijvoorbeeld bij een kankerpatiënt die ernstige niet meer te bestrijden pijn lijdt en niet in staat is om euthanasie te vragen, dan kan hij een beroep op overmacht doen. De rechter zal dan in ieder individueel geval kunnen oordelen. Over de wenselijkheid daarvan is vrijwel iedereen het eens. Bij een dergelijke regeling zullen artsen algemeen tot melding overgaan.

Nu het CDA aan een dergelijke regeling niet wil meewerken, is het een minder goede oplossing, maar toch beter dan het wetsvoorstel, om ongevraagde levensbeëindiging uit de meldingsprocedure te halen. Daarvoor blijft dan de normale regeling voor niet-natuurlijke doodsoorzaak gelden. Een speciale meldingsprocedure voor euthanasie past bij de feitelijke situatie met betrekking tot euthanasie in Nederland. Aan een dergelijke regeling zullen artsen waarschijnlijk meewerken als het vervolgingsbeleid tenminste niet wordt aangescherpt. Onzekerheid over het vervolgingsbeleid door het openbaar ministerie is een zwakke plek van deze regeling. Van aanscherping van dat beleid zijn tekenen zichtbaar. Als het die kant uitgaat zullen meldingen door artsen afnemen.

    • H.J.J. Leenen
    • Gezondheidsrecht Universiteit van Amsterdam