Misdaadbestrijding is niet een taak van de overheid alleen

“Nederland is een onveilig land”, stelde de woordvoerder voor politiezaken van de PvdA in de Tweede Kamer mr. P. Stoffelen categorisch in een recente column. Even duidelijk is zijn antwoord: méér misdaadbestrijding, met name door de politie die voor dit doel dan ook ingrijpend wordt gereorganiseerd. Het is een duidelijke opvatting die blijkens menige opiniepeiling (het zogeheten bevolkingsonderzoek) kan rekenen op weerklank, niet alleen in ons land maar in de hele Westerse wereld. Toch is er iets opmerkelijks aan de hand: de onderzoeken bevatten ook signalen dat criminaliteit niet als zo'n groot probleem wordt ervaren of dat burgers heel andere dingen verwachten van strafrechtshandhavers dan krachtig repressief optreden.

De politiecommissaris C.D. van der Vijver, thans directeur van de Stichting Maatschappij en Politie, werd allang gefrappeerd door de kloof tussen de wereld van de criminaliteitsbestrijding en de wereld van de burgers. Hij heeft er nu een proefschrift aan gewijd, getiteld De burger en de zin van het strafrecht. Wat verwachten de burgers werkelijk van het strafrecht, waarom lijken vraag en aanbod op dit gebied zo sterk uiteen te lopen?

Bij de behandeling van deze vragen is Van der Vijver uitgegaan van bestaande bevolkingsonderzoeken in binnen- en buitenland. Typerend is de uitslag van een grote peiling in Stuttgart over de vraag of de criminaliteit toeneemt. Wat de eigen wijk betrof gaf 20 procent van de respondenten een bevestigend antwoord, voor de stad liep dit op tot 68 procent en voor het hele land was het 80 procent.

Ook in Nederland zijn er aanwijzingen dat het oordeel dat het land onveilig is hand in hand gaat met de opmerking dat het in de eigen buurt nog wel meevalt. Zelfs voor bewoners van gebieden waar de criminaliteitsproblemen relatief sterk worden gevoeld, zoals Amsterdam-centrum en de Bijlmer, geldt nog steeds dat hun onveiligheidsgevoelens buiten de eigen wijk groter zijn dan daarbinnen. Het doet een beetje denken aan het NIMBY-effect (Not In My Back Yard), de protest-reflex van gemeenschappen tegen de vestiging van asielzoekerscentrum of gevangenis in hun buurt, laat staan de aanleg van een nieuwe spoorlijn. Het geduld van de overheid met NIMBY is echter duidelijk aan het opraken. Het is een interessante vraag wat de uitwerking daarvan is op het plaatsgebonden karakter van de criminaliteitsbeleving.

Er zijn nog andere discrepanties. Zo heeft Van der Vijver de indruk dat het accent op de criminaliteit in het programma van de opinie-onderzoekers bijdraagt tot “een eenzijdig beeld van de werkelijkheid: andere typen onveiligheidsgevoelens blijken zeker zo relevant te zijn”. Bevolkingsonderzoek in Haarlem liet zien dat het denken aan de mogelijkheid slachtoffer te worden van een verkeersongeval even hoog scoort als het denken aan de mogelijkheid slachtoffer te worden van een misdrijf. De objectieve kans slachtoffer in het verkeer te worden is ook groter dan de kans slachtoffer te worden van criminaliteit. Bovendien zijn de gevolgen vaak ernstiger. Ook op het gebied van de criminaliteit zelf lopen gevoel en kans trouwens niet altijd synchroon. De grootste risico's lopen jonge mannen in grote steden (uitgaan, stoer doen) maar die rapporteren juist de minste angstgevoelens. Ouderen zijn daarentegen vaak zeer bevreesd, maar lopen relatief minder risico omdat zij gevaarlijke situaties juist mijden. Angst voor de misdaad speelt daarin een rol, maar ook bijvoorbeeld gevoelens van gêne voor afwijkend gedrag van anderen zonder dat dit ook werkelijk bedreigend is. Zo ziet men ook wel dat plekken die als onveilig bekend staan betrekkelijk laag scoren in de politiestatistiek, eenvoudig omdat veel mensen die plek mijden.

Intussen is het netto-resultaat maar al te vaak dat mensen uit angst voor criminaliteit sociale contacten mijden. Objectief terecht of niet, voor een open samenleving is zo'n situatie een bewijs van onvermogen. Van der Vijver bagatelliseert de problemen dan ook niet. Hij concludeert alleen dat de huidige aanpak van de criminaliteitsbestrijding onvoldoende rekening houdt met de gebleken discrepanties.

Het geldende beleid is te veel gebaseerd op een zwart-wit schema: de burger is 'consument' van veiligheid en de overheid is 'producent' van veiligheid - met de crimineel als onbekende grootheid in deze vergelijking.

De werkelijkheid is ingewikkelder. De overheid produceert naast veiligheid ook onveiligheid. De burgers ook: maar liefst 41 procent uit een recente steekproef gaf op in de afgelopen vijf jaar ten minste éénmaal een van de elf delicten te hebben gepleegd die hen werden voorgelegd. En daar waren doorrijden na een ongeval en milieufraude niet eens bij meegerekend. Het is dus onjuist criminaliteit te beschouwen als iets dat thuishoort bij een klein groepje, al zit het overgrote deel van de agressieve delicten wèl geconcentreerd bij een een klein deel van het totale daderbestand.

Duidelijk is in elk geval dat de kwaliteit van het strafrecht niet alleen valt af te meten aan oplossingspercentages en de bezettingsgraad van de gevangenissen. Het strafrecht heeft meer betekenissen die, volgens Van der Vijver, in de maatschappelijke discussie onvoldoende aandacht krijgen. En in de wetenschappelijke discussie evenzeer getuige zijn kritiek op de ééndimensionele opzet van het bevolkingsonderzoek dat tegenwoordig zo populair is bij beleidsmakers. Zelfs als dit een duidelijke meerderheid oplevert voor het overboord zetten van allerlei 'beperkende' strafprocessuele voorschriften, dan moet de wetgever daar niet te makkelijk gehoor aan geven, waarschuwt Van der Vijver. Strafrecht heeft ook een juridische betekenis.

Criminaliteit, zo concludeert Van der Vijver, is in meer dan één opzicht een verschijnsel om de eigen verantwoordelijkheid voor de aanpak ervan weg te schuiven. Wat dit betreft bevat de jongste nieuwsbrief van de Stichting Maatschappij en Politie (SMP), waaraan de auteur is verbonden, een aardige anekdote. Op een buurtbijeenkomst komt een oudere dame klagen over jongelui die over een verkeersvrije winkelpromenade fietsen. Ze eist politie-optreden. Onder druk van het modieuze streven naar klantvriendelijkheid zou menig modern politie-ambtenaar daaraan gehoor geven en onmiddellijk een tijdelijk projectteam vormen. De aangesproken politie-inspecteur gooide het echter over een andere boeg en vroeg mevrouw waarom ze er zelf niets van zei. En wat bleek? Dat had ze ook gedaan; en de jongeren stapten meestal - zij het mopperend - van hun fiets af.

Fixatie op de gedachte dat dit soort dingen een taak van de politie is blijkt mensen niet alleen tegen te houden dat zij zelf iets kunnen doen, maar zelfs dàt zij iets hebben gedaan - en nog wel met succes. Meer prioriteit voor 'sociale zelfredzaamheid' is dan ook de aanbeveling van de SMP, die in het proefschrift van Van der Vijver theoretisch wordt onderbouwd. SMP-voorzitter mr. Pieter van Vollenhoven stelt het in dezelfde nieuwsbrief trouwens toch weer ouderwets zwart-wit: “Waar hangt de knuppel? Aan de zij van de politieman of aan ieders zij?” Dat is niet direct een aanmoediging voor andere oudere dames het vermelde voorbeeld te volgen.