Loempia's in niemandsland

De stilte van water, mist en kou. Gesloten kantoorgebouwen, verlaten havens. Door het niemandsland loopt een Surinaamse familie. Een hoopje fietsen voor het gebouw dat plomp en blauw afsteekt tegen het grijs van de wolken.

Als de deuren openschuiven, blaast er een warme geur van voedsel naar buiten. Een zoete mix van Vietnamese loempia, Turkse falafel, en Marokkaanse cous-cous. Het is zaterdag, één uur 's middags. Een handjevol mensen trekt baantjes tussen de kramen. Glitterstoffen, oosterse parfums, Hindoestaans ondergoed. “Passen kost niks”, zegt een Turkse ondernemer die zijn stand tot de nok toe heeft volgehangen met beslagen cowboy-laarzen.

De zogeheten 'IJ-markt' aan de Amsterdamse Westerdoksdijk is inmiddels een maand geopend. Een overdekte bazar, een 'Oosters sprookje' dat jaarlijks miljoenen bezoekers zou trekken. Dat was de opzet van het Amsterdamse stadsbestuur. Eendrachtig verdedigden ze het 'het grootste werkgelegenheids-project voor allochtonen ooit in Nederland vertoond' tegen de aanvallen van de verenigde Amsterdamse marktkooplieden en de Centrumdemocraten. 'Echte marktkooplui staan in de kou', klonk het op verhitte protestbijeenkomsten. De grootste vrees van de Amsterdamse marktlui was echter dat de nieuwe markt zware concurrentie zou betekenen.

Honderden nieuwe Amsterdammers schreven zich in voor een plaatsje. Ze volgden cursussen en haalden diploma's. “Dat gaat een groot ding worden”, zei een jonge vrouw die net haar vakdiploma aardappelen, groente en fruit had gehaald. Haar moeder in Suriname zou de groente kweken die zij straks op de markt zou gaan verkopen.

Half september was eindelijk de loting. Een grote verzameling nerveuze mensen tussen de lege kramen en betegelde hokken. “Uw investeringsbijdrage van ƒ 550 per vierkante meter moet dus vóór 1 oktober gestort zijn”, riep marktopzichteres Van der Valk haar instructies. “Dan ga ik mijn autootje maar verkopen”, zei George Olimf, terwijl hij met ingehouden adem wachtte tot zijn nummertje uit de hoed werd getrokken. Even later stapte hij rond in zijn nieuwe hok. “Hier de vriezer, daar de ijskast, en daar de vitrine. Dan hou ik net een halve meter over om mijn kont te keren. Het lijkt wel de keuken van de smurfen.”

Nu, een maand na de opening van de markt zijn de rolluiken van de eettent van George Olimf nog steeds gesloten. Ook het hok naast hem, en dat daarnaast zit nog op slot. “Veel mensen hebben al dat geld om te starten niet meteen kunnen opbrengen”, zegt de Surinaamse in haar stal vol fruit. Ook haar zou het niet gelukt zijn als ze haar moeder in Suriname niet had. “Tot nu toe zijn het alleen nog maar kosten, kosten. Die markt moet nog echt op gang gaan komen.” Vooral door de week komt er weinig bezoek. “Dan heb ik wel dagen met één of twee klanten.”

Toch heeft de markt al een aanblik van leven. In de stand van cosmetica voor de zwarte huid laat een blond meisje zich een bos zwarte kroes in het haar vlechten. Verderop bij kruidenier Vitamientjes discussieert de Turkse eigenaar met vier mannen over de kwaliteit van de köfte. “Je moet zo'n markt de kans geven om te groeien”, zegt de Volendammer visboer in de kraam tegenover. Hij voelt zich allochtoon genoeg om te geloven dat het lukt.

“Het loopt hier als een trein!”, zegt Roy van Rasta-fashion tevreden. In een tochtige uithoek heeft hij zijn kraam. 'Street-wear', oftewel 'straatkleding' rechtstreeks uit de States. Broeken, truien, mutsen en petten. “Dit wordt gedragen door de gangs aan de Westkust, en ik had het hier eerder dan de shops in New York.” Hij heeft absoluut niets te klagen. “Ze komen nu al uit heel Amsterdam.” Dansend springt hij op een stoel en zingt: “MTV, nigger to be, fashion for all the black community.”